De erkenning

Amsterdam Oud-Zuid, najaar 1974

‘Het gaat om de erkenning, meneer.’ Ze drukte haar filtersigaret uit in de asbak, zo’n ouderwetse, een ronde met opstaande geribbelde rand, en in die rand allemaal ronde gaatjes waarin je precies één sigaret kon uitdoven.
Ze stond op en zei: ‘Meneer lust zeker nog wel een biertje?’ en zonder op een antwoord te wachten schommelde ze langzaam naar de keuken. Ze sprak hem altijd aan met ‘meneer,’ want hij was student en dat gaf blijkbaar status. Kees, de andere kostganger, die voor een verhuisbedrijf werkte, werd altijd gewoon met z’n voornaam aangesproken. Terwijl ze terugkwam en het flesje opende ging ze weer zitten. Ze schonk zichzelf nog maar een citroentje in, stak weer een sigaret op en vervolgde:
‘Neem nou vanochtend, die klootzak. Hij stond pas om half elf op, ik zei: Kees,wat ben je laat, maakte een beschuitje met suiker voor hem klaar, hij haalt z’n schouders op en zegt: verslapen, propt het beschuitje in z’n mond, gaat weg en is na een half uur weer terug. Ik zeg: moest je niet naar je baas? Nee, zegt-ie, ik ben ontslagen. Wat? roep ik, waarom? Nou, omdat ik me verslapen had. Ben jij effe een sufferd, zeg ik. Je had gewoon vanochtend moeten bellen dat je ziek was, diarree. En dan midden op de dag was je naar je baas gegaan en dan had je moeten zeggen: was ik effe aan de broekhoest baas, maar nu ben ik uitgescheten, daar ben ik weer. En toen zei ik: heb je dan nog wel geld voor de huur? Hij haalt wat briefjes en guldens uit z’n broekzak, ik tel het uit op de tafel, negenentachtig gulden en vijfenzeventig cent. Ik zeg: dat is vier vijfenzeventig teveel. O, laat de rest maar zitten, zegt-ie, en hij loopt weg. Laat de rest maar zitten! Is dat zijn manier om dankjewel te zeggen? Nou vraag ik u: dat geeft toch geen pas? Is dat de erkenning voor iedere ochtend opstaan en z’n koppie thee en een beschuitje klaarmaken? De erkenning meneer!
Willem kon een gniffel niet onderdrukken. Dat Willemien Mitschmerz het hart op de tong had, was hem inmiddels al wel duidelijk. Voor vijfentachtig gulden huurde hij een piepklein kamertje bij haar op een beletage in de Karel Dujardinstraat waar hij via een bemiddelingsbureau op was geattendeerd. Eigenlijk ging het oorspronkelijk niet om het kamertje bij mevrouw Mitschmerz, maar bij haar zuster die op dezelfde beletage een woning had. Haar zus had destijds verschrikt opengedaan en verteld dat de kamer al verhuurd was, maar ze liep meteen naar het adres aan de andere kant met het verhaal dat haar zus, Willemien, ook kamers verhuurde. Inderdaad was er nog een kamertje vrij. Een piepklein hok met een bed, een tafeltje en een stoel. Geen douche, wel thee en koffie. Willem nam het maar omdat hij op een wachtlijst stond voor studentencomplex Uilenstede en dat zou toch niet eindeloos hoeven te duren. Hij had nog niet beslist of hij zat al aan een kop koffie met een roze koek en leerde het hondje kennen, Sjorrie, een opgeblazen keffertje op luciferstokjes dat maar door bleef blaffen.
‘Hou je mond!’ schreeuwde de kostjuffrouw naar het beest terwijl ze hem een stukje koek toegooide, maar hij zweeg niet. ‘Hou je mond!’
Ze kneep haar ogen fijn onder haar ronde blikken brilletje en sprak samenzweerderig tot Willem: ‘Weet u wanneer hij wel z’n bek houdt?’ Als ik godferdomme zeg!
‘GODFERREDOMME!’ schreeuwde ze en wees met haar dikke vinger priemend in de richting van het beest, dat inderdaad zwijgend weg waggelde.
Op de universiteit had hij al eens smakelijk verteld over z’n Amsterdamse kostjuffrouw. Het was nu al zo ver dat hem bij aankomst op de koffiehoek op de vijftiende verdieping van de  betonkolos in Buitenveldert, wanneer hij college ging lopen, meteen gevraagd werd om nieuwe verhalen. Die had hij altijd wel. Over de oorlog, want ze had in het doktersvak gezeten, zoals ze zelf zei, en dokter Cohen geassisteerd met illegale abortussen bij joodse vrouwen. Het doktersvak, dat was het, en dat meneer geschiedenis studeerde vond ze maar zo zo. En ze had op Joop den Uyl gestemd, maar Joop den Uyl was zo tegen het koningshuis, en zij was heel erg vóór het koningshuis. En ze was tegen van Agt, want die was tegen abortus, en als haar oude benen haar nog zouden kunnen dragen, zou ze gaan demonstreren vóór het recht op abortus. Maar toen er een demonstratie te zien was op het journaal zei ze, dat wanneer zij de baas was van Nederland, zij alle demonstraties in Nederland zou verbieden, want dat langharig tuig gaf maar onrust. En er kwamen ook teveel Surinamers naar Nederland. ‘Je ziet ze niet in het donker hè? Gelukkig heb ik altijd m’n twee vingers klaar. Ik steek ze zo twee ogen uit.’ Maar toen mevrouw De Haan, de andere buurvrouw met haar zwakbegaafde dochter Annie langskwam om thee te drinken moest deze haar toch wat temperen. ‘Ze zijn niet allemaal crimineel hoor, want weet je, ze komen hier om op te knappen hè, en wanneer ze weer wat beter zijn gaan ze misschien wel terug. Mevrouw de Haan sprak Willem ook altijd aan met ‘meneer’ en nam hem wel eens in vertrouwen over haar dochter, omdat ze niet wist wat ze met haar aan moest wanneer zijzelf bejaard zou zijn. ‘Weet u, meneer, ze is wel eens heel erg onrustig, en dan, ja, hoe zal ik het zeggen, ja, dan is ze niet te genaken hè, niet te genáken!
Willem keek dan altijd zéér begripvol alsof hij heel erg goed begreep dat het ernstig was nu mevrouw de Haan dat sjieke woord gebruikte. Eigenlijk vreesde hij dat hem dan om een ‘wat vindt u daar nou van’ werd gevraagd, maar dat gebeurde gelukkig nooit, want het gesprek nam altijd wel weer een andere wending. Bijvoorbeeld over de gezondheid van Willemien.’Ik hoest zo,’ had ze tegen de dokter gezegd. ‘En toen moest ik naar het VU en daar hebben twee studenten me helemaal onderzocht. Maar het hoesten ging niet over en de dokter zei alleen maar dat ik minder moest roken.’ ‘Nou moet jij eens goed luisteren Wil,’ reageerde mevrouw de Haan, ‘het VU is één van de hoogste ziekenhuizen in Nederland en als ze zeggen dat je niks mankeert, dan moet je dat wel aannemen. En geef mij dan nu maar een sigaret.’

Nu zat Willem dus alleen tegenover z’n kostjuffrouw. Hij was de hele nacht weggeweest omdat hij samen met Ad, een bevriende student, op diens kamer op Uilenstede aan ‘De KPD en de Ruhrstrijd’ had gewerkt, het eerste werkstuk voor professor Lademacher. Precies op tijd, diezelfde ochtend om negen uur, hadden ze het nog ingeleverd bij het secretariaat. ‘Je was er niet hè, vannacht’, sprak Willemien Mitschmerz schalks toen hij binnenkwam.
‘De hele nacht aan een werkstuk gewerkt,’ antwoordde Willem suf, maar dat ging er vanzelfsprekend niet in. ‘Ja,ja, natuurlijk liggen rollebollen.’ Omdat het zinloos was hierop in  te gaan zocht Willem maar gauw het bed op.
Nu, laat in de middag zat hij alweer aan het bier. Hij moest z’n kostjuffrouw twee dingen vertellen. Dat hij een dag eerder voor het weekend naar huis zou gaan, omdat hij de volgende dag naar een crematie moest, en dat hij weg zou gaan omdat hij een andere kamer had gevonden. Ook op Uilenstede, maar dan op het GU-complex, waar nog wel eens een kamer vrijkwam omdat de meeste GU-studenten er niet wilden wonen.
‘Ik ga vanavond al weg voor het weekend,’ sprak hij, want ik moet morgen naar Den Haag. Een tante van me is overleden en morgen is de crematie.’
‘O, was het een lieve vrouw?’
‘Een geweldige vrouw. Ze kwam uit Indonesië en was ziek, kanker.’
‘Dat vind ik nou zo gemeen hè meneer. De gevangenissen zitten vol en de aardige mensen krijgen kanker. En dan zijn er mensen die zeggen dat er een Gód bestaat! Nou ammehoela, er is geen God.’
‘En dan nog iets. ‘Ik vind u een geweldige kostjuffrouw,’ sprak Willem, ‘maar het kamertje is wel erg klein en ik heb een andere kamer gevonden.’
‘Waar gaat u dan nu wonen? Toch niet weer bij uw moeder? Is uw moeder trouwens nog een flink mens?’
‘Neenee, ik heb een kamer gevonden in een studentenflat, met eigen douche en wc.’
‘O nou ja, als meneer het beter krijgt. U heeft trouwens altijd mooi op tijd betaald. Willem nam een laatste slok bier, stond op, verontschuldigde zich en zei dat hij z’n spullen ging pakken. In het kamertje telde hij de laatste centen in z’n portemonnee. Een paar gulden, dat moest voldoende zijn om nog een bosje bloemen te kopen. Het was even zoeken, maar voor drie gulden vijftig vond hij een heel aardig bosje tulpen.
Hij liep er mee het trapportaal op, deed de deur open en in het halletje hoorde hij dat mevrouw De Haan en Annie op bezoek waren. In de woonkamer overhandigde hij de bos en Willemien Mitschmerz straalde.
‘Tullepe!’ riep ze glunderend. ‘Nou dat vind ik nog eens een erkenning!’
‘Moet je ze wel even in de vaas zetten Wil’, zei mevrouw de Haan.
‘Dat ga ik meteen doen, en meneer blijft toch nog wel even? U blieft vast nog wel een biertje!’

02052021

Leave Your Comment

Your email will not be published or shared. Required fields are marked *

You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>

*