Schiphol

‘Jij bent Johannes Gerardus van Krevelen?’
De chef, type ‘mij-hoef-je-niets-meer-te-vertellen-want-ik-heb-alles-al-meegemaakt’ (hoeveel jaar nog tot aan z’n pensioen?) keek vorsend over z’n leesbril. Hij hield de vier briefjes van het uitzendbureau vast en wilde verder gaan, maar Johannes Gerardus zei ‘dat het gewoon Johan was.’
‘We hebben nu eenmaal jullie geboortenamen nodig,’ reageerde de chef korzelig en vervolgde:
‘Hendrikus Josephus Xaverius Maria van Bladel, van onder de rivieren natuurlijk, dat ben jij, en dan hebben we Roberto, ik neem aan dat jij dat bent, wees hij op een lichtgetinte jongen in  het gezelschap, en dan, eens even kijken, Guillaume.’
‘Oké, die laatste meneer met de zondagse voornaam gaat met Ömer mee, daar komt-ie net aan, en de andere drie gaan met mij mee.’
De chef stapte op van z’n stoel en liep met de drie jongens het kantoortje uit, terwijl de man die blijkbaar Ömer heette bij de deuropening naar Willem wenkte met de woorden ‘vriend, jij meekomen.’ Vervolgens begon hij zwijgend aan een straffe mars door allerlei verschillende werkruimtes.
Een enorme zaal met lopende banden waar dames dienbladen vulden met plastic bestek,  bordjes en sandwiches werd afgesloten door een zware plastic tochtdeur. ‘WARME KEUKEN’ stond er met grote letters boven. Op de deur zelf had iemand met een viltstift geschreven: ‘Kan U Neuken’.
‘Warme keuken – kan u neuken.’ Als de keuken het onderwerp is, bedacht Willem filosoferend, hoe neukt zij u dan?  maar Ömer, die onderweg twee collega’s met een ‘merhaba’ had begroet, duwde de deur open, liep een lange gang door en ging een kale ruimte binnen waar verschillende soorten dozen hoog stonden opgestapeld. Van een metalen tafel waar een electrische blikopener aan was bevestigd pakte hij een mes, sneed daarmee de bovenzijde van een doos open, haalde er een blik perziken uit, draaide die geroutineerd open met de blikopener en gooide de inhoud in een grote witte krat. Het dekseltje, dat ook was meegekomen met de siroop en de halve perziken, viste hij uit de kleverige troep en gooide die in een prullenbak. ‘Vriend, jij doen tien dozen,’ zei hij en gaf Willem een lijstje waarop blijkbaar de taken van die dag stonden vermeld. Tien dozen perziken, twee dozen artisjokken, acht dozen sperciebonen, vijf dozen worteltjes en twee dozen peren op sap.
Zonder op enig commentaar te wachten liep Ömer weg en dat was dan ook de laatste keer dat Willem hem had gezien.
Hij pakte een blik uit de doos, zette die aan de electrische opener, pakte het blik weer vast nadat het was opengedraaid en gooide de oranje halvemaanbobbels blubberend in een krat. Nu dat dekseltje nog. Het was niet eenvoudig om dat ijzeren rondje met een gevaarlijk scherp randje op te pakken, terwijl het ook nog eens in de kleeftroep op de bodem lag. Hij pakte het dekseltje vast en voelde een scherp puntje in zijn vinger prikken. Bij het tweede blik zou hij het anders doen: onder het omkeren meteen proberen het dekseltje te pakken. Maar dat was ook niks, want dan ging de siroop over je hand en met kleefhanden werken was helemaal ellende. Dan maar dekseltjes vissen. Na tien, twintig blikken kwam de routine er in. Zonder veel nadenken opende Willem doos na doos. Hij keek naar z’n handen. Daar waren inmiddels al behoorlijk wat kleine wondjes te zien. Soms lukte het makkelijk om het dekseltje op te pakken, maar soms ook moest er enig plukwerk aan te pas komen om zo’n klein monster uit de siroopblubber te plukken. Scherp en gevaarlijk waren de krengen.

Vier, vijf dozen later verscheen er opeens een Turk. ‘Vriend, jij doen niet goed, water weg.’
‘Meneer Ömer heeft het mij zo voorgedaan, dus…’
Maar de Turk wachtte niet op een reactie, keek de ruimte rond en liep op een hoek af waar grote kratten stonden opgestapeld die eruit zagen als vierkant gevlochte manden, blijkbaar zo gemaakt om het vocht er uit te laten lopen. Hij zette een open krat boven een putje, pakte een dichte krat die Willem al voor tweederde had gevuld met zoete blubber en kieperde de hele zooi in de andere krat. Zeker de helft flikkerde over de rand. Het sap sijpelde uit de krat in het putje maar veel ging ernaast. Talloze halve maantjes glibberden als bolle schoteltjes over de vloer. De Turk was blijkbaar Nederlands genoeg om godverdomme te zeggen en begon verder zonder omhalen perziken te rapen, gooide ze terug in de krat met gaatjes en Willem kon alleen maar schutterig meehelpen. Wat moest hij anders? Half schaatsend, half glijdend over de gladde vloer raapten de twee de vloer leeg en toen de gatenkrat gevuld was, stond de Turk weer op en zei: ‘jij doen goed, maar water weg vriend, oke? ’

Tien dozen perziken later was het koffietijd. De andere jongens hadden aan de lopende band gestaan en Willem liet in de kantine een beetje beteuterd z’n gewonde vingers zien. ‘Iedere keer zo’n deksel uit de stroop pakken, het lukt gewoon niet altijd zonder dat je in je vingers snijdt. ’ Roberto vond dat Willem zich een beetje aanstelde. ‘Wij krijgen lamme armen van de lopende band. Het lijkt wel of die Portugese dames de band iedere keer sneller laten lopen. ‘Ja,’ voegde Johan er nog aan toe, ‘en zij doen maar één handeling terwijl wij steeds twee dingen op het plateau moeten zetten.’ Willem zweeg, maar was er niet gerust op. Na de koffietijd, bij de artisjokken ging het bijna mis en sneed hij zich diep in z’n wijsvinger. Daar moest echt een pleister op. Naast de blikopener-ruimte was de slagerij en een slager sneed met een mes geroutineerd een stuk pleister van een rol en zei: ‘Welkom bij de club. Voorzichtig maar weer, meneer de student.’

In de middagpauze vroeg Willem aan de chef of hij iets anders mocht doen. ‘Tja, dat blikken openen ook,’ verzuchtte hij en nu was Roberto de klos. Willem mocht aan de lopende band. Bestek links op het plateau naast een bordje dat één van de dames al had neergezet en rechtsboven een in cellofaan verpakt broodje. De andere jongens volgden met pakjes boter, jam, een yoghurtje, een plak kaas en een servetje. Lamme armen kreeg je van die voortdurende handelingen en dan had je dat gekwebbel van die Portugese dames ook nog te verduren. Een half uur later leek het bijna gedaan met de pret. Een haastig zwetende chef liep snel door de ruimte terwijl hij de arm van een lijkbleke Roberto, die achter hem aan hobbelde, omhoog hield. ‘Attentie alstublieft, EHBO, ruimte meneer Keulemans, Koude en Warme Keuken,’ werd er omgeroepen, ‘ik herhaal, EHBO, kantoor Koude en Warme Keuken. Spoed.’ De Portugese dames hadden de lopende band even stilgezet en iedereen keek naar het spoor van bloeddruppels dat het tweetal als een sliert achter zich had gelaten. De volgende dag was de ruimte met de blikken gesloten. Willem mocht weer bij de opdek. Maar hij moest nu wel drie handelingen tegelijk verrichten, want Roberto was niet verschenen.
01072021

Leave Your Comment

Your email will not be published or shared. Required fields are marked *

You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>

*