Lezingen

Weerbarstige betrokkenheid

Lezing, gehouden op 4 december 2014 tijdens het Colloquium ‘Die taal se stiltes’ , georganiseerd door de Universiteit van Gent ter gelegenheid van de uitreiking van het eredoctoraat van de UGent aan Breyten Breytenbach.

 

Weerbarstige betrokkenheid

Nederland heeft altijd een bijzondere band met Zuid-Afrika gehad. Ook heden ten dage zijn het Nederlands en Afrikaans verwante talen. Het  is nog altijd een feest, om in deze tijden waar we moeten vechten tegen de Angelsaksische tsunami, een e-mail in het Nederlands te kunnen schrijven naar Kaapstad en een e-pos terug te krijgen in het Afrikaans die je zonder moeite kunt lezen.

Je zou dus mogen verwachten dat de banden tussen het Nederlands en Afrikaans allerhartelijkst zijn, maar niets is minder waar. Of nee, ik moet het nuanceren. Laten we spreken over ‘weerbarstige betrokkenheid’, zoals ik ook de titel van mijn referaat heb genoemd.

Nederlands en het Afrikaans. Een voorbeeld. In het in Nederland  immens populaire televisieprogramma ‘The Voice of Holland’ (natuurlijk heet het niet ‘De stem van Nederland’ want dat klinkt blijkbaar niet sexy genoeg) trad een paar maanden geleden een meisje op met de naam Jacqueline Tolken. Zij kwam oorspronkelijk uit Zuid-Afrika en vond het leuk een liedje van Marco Borsato te zingen in het Afrikaans, in eigen vertaling. Ik weet niet of u het programma kent, maar het gaat als volgt. Vier juryleden, te weten Marco Borsato, de zangeres Ilse de Lange, de rapper Ali B en Trijntje Oosterhuis zitten in stoelen met hoge rugleuningen met het gezicht op het publiek gericht. De kandidaat treedt achter hen op en het publiek kan de kandidaat en de juryleden goed zien, maar de juryleden zien de kandidaat dus niet. Als de kandidaat gaat zingen horen de juryleden het liedje aan. Wanneer een jurylid het gezang van de kandidaat kwaliteit vindt hebben, kan hij of zij op een knop drukken. De stoel draait om en Marco, of Ilse, Ali B of Trijntje kunnen de kandidaat met eigen ogen aanschouwen en door de stoel om te draaien zegt hij of zij dat de kandidaat door is naar de volgende ronde.

Goed, het meisje Jacqueline Tolken komt op en begint te zingen, in het Afrikaans. Wat denkt u? Marco Borsato geeft met een vertrokken gezicht aan dat-ie er niets van snapt en zoiets blijkbaar nog nooit heeft gehoord. Ali B denkt het antwoord te hebben: wat is dat? roept hij. Een soort Drents? Ja, een soort van Drents dames en heren. Maar gelukkig – er is inmiddels een minuut of twee verstreken – weet Ilse de Lange het antwoord. Zuid-Afrika? Zegt ze eerst aarzelend, maar daarna bevestigt ze dat het , in haar woorden, uit Zuid-Afrika komt. 

De in het Afrikaans zingende kandidate heeft het in ‘The Voice of Holland’ niet gered. Dat is jammer voor haar, maar voor dit betoog niet erg belangrijk.  Wat ik maar wil zeggen is dat er nog een wereld te winnen is voor het Afrikaans in Nederland, en hoe dat in Vlaanderen is weet ik niet, maar ik veronderstel dat, hoewel iets beter, de situatie vergelijkbaar is.

Anderhalve eeuw ‘weerbarstige betrokkenheid’ tussen Nederland en Zuid-Afrika, of meer precies: tussen het Nederlands en het Afrikaans betekent dus niet dat we achterover kunnen leunen.

Een stukje geschiedenis. In de eerste helft van de 19e eeuw, nadat Nederland na de Franse tijd afstand had moeten doen van zijn bezittingen in Zuid-Afrika, raakte Zuid-Afrika in de vergetelheid. Als er al sporadisch over de Boeren in Zuid-Afrika werd geschreven, gebeurde dat meestal in negatieve zin.  De Boer was lomp, ongemanierd en ging op onchristelijke wijze met zijn zwarte knechten om.  Na de eerste Transvaalse oorlog van 1880-1881 veranderde deze houding als bij toverslag. Ongetwijfeld had dit te maken met het idee dat dat dappere kleine Boerenvolk zomaar die almachtige Engelsen had weten te verslaan. Nederland was van een grootmacht in de 17e eeuw ineengeschrompeld tot een kleine natie die, wat betreft haar buitenlandse beleid voor een groot gedeelte naar de pijpen van het machtige Engeland moest dansen. Dat vergde evenwichtskunst, vooral van de minister van Buitenlandse Zaken en de minister van Koloniën, maar was wel belangrijk vanwege de bezittingen in Nederlands-Indie. Het volk dacht er openlijk anders over: het perfide Albion was door die dappere Boeren een lesje geleerd en in de enthousiaste pro-Boer euforie werd in 1881 de Nederlands Zuid-Afrikaanse Vereniging opgericht, kortweg de NZAV, een vereniging die tot op de dag van vandaag bestaat en dus kan bogen op een rijke historie.  

De betrokkenheid van Nederland bij de twee Boerenrepublieken nam een grote vlucht en op verzoek van president Paul Kruger werd door Nederlandse investeerders geld bij elkaar gezocht zodat de zgn. Oosterlijn kon worden aangelegd. Deze spoorweg zou Transvaal met Lourenco Marques in het Portugese Mozambique verbinden en daardoor zou Transvaal een kortere route naar een haven hebben en minder afhankelijk zijn van de Britse spoorwegen in Zuid-Afrika. Het geld kwam er, de spoorweg werd aangelegd en in 1895 konden de treinen van de Nederlandsch Zuid-Afrikaansche Spoorweg Maatschappij, kortweg NZASM, gaan rijden. De spoorweg was een succes en maakte winst, maar, zoals u allen weet, gooide de Boerenoorlog van 1899 tot 1902, naar de laatste inzichten Zuid-Afrikaanse oorlog genoemd, roet in het eten. Eén van de laatste ritten die onder Nederlands spoorwegbestuur werd gemaakt was het vervoer van president Kruger naar Lourenco Marques, waar hij na bemiddeling van Koningin Wilhelmina op het pantserdekschip ‘de Gelderland’ kon stappen die hem naar Europa zou vervoeren. Naar Europa zeg ik, en niet direct naar Nederland, want de Nederlandse regering wilde natuurlijk Engeland niet schofferen en dus moest Paul Kruger in Marseille van boord. De ontvangst in Nederland was er niet minder om. Sla de literatuur er maar op na: waar Kruger ook verscheen kwamen massa’s mensen op de been om hem toe te juichen op een manier die, als je de verslagen leest, doet denken aan massahysterie. Nederland was massaal solidair met de Boeren maar toen de oorlog eenmaal in het voordeel van de Britten was beslecht, ging men weer over tot de orde van de dag. De NZAV bleef echter bestaan. Ook gebeurde er nog iets anders. In stilte, nee, eigenlijk moet ik zeggen: in het geheim broedden de Nederlandse investeerders die in één klap van hun spoorwegen waren beroofd op een manier om tenminste een schadevergoeding van de Engelsen te krijgen. Het lukte en er werd een flinke schadevergoeding uitbetaald. Maar wat de Engelsen niet wisten was dat er nog een zgn. Delgingsfonds bestond, een geheim fonds dat bij de aanvang van de investering was opgericht om risico’s af te dekken. De schadevergoeding en het geheime Delgingsfonds werden beide bij de Vereeniging Zuid-Afrikaansche Stichting Moederland, kortweg Z.A.S.M. ondergebracht die in 1909 werd opgericht.  

De fondsen werden gebruikt om de Nederlandse arbeiders, die bij de aanleg of de exploitatie van de spoorwegen betrokken waren, een pensioen uit te betalen, maar daarmee was de  kas nog lang niet leeg. Sterker, de financiele positie van de ZASM was goed en in 1923 kon voor een bedrag van rond de 40.000 gulden het pand Keizersgracht 141 in Amsterdam worden aangekocht.  Overigens huurde de Z.A.S.M. al sinds 1917 een paar ruimtes in het pand.  Dit pand, dat eigenlijk uit een 17e eeuws voorhuis en een laat 18e eeuws achterhuis bestond, had illustere bewoners gekend als Laurens Reael en Jacques Specx, beiden bewindvoerders van de VOC. In 1877 was het huis door de arts Henricus Fabius geheel naar de maatstaven van die tijd verbouwd.

In 1923, toen de Z.A.S.M. het huis kocht had het alweer een andere eigenaar, maar dat doet niet terzake. Wat belangrijk is om te weten, is dat het pand Keizersgracht 141 langzaam maar zeker een trefpunt zou worden voor al diegenen, die iets hadden met Zuid-Afrika en het Afrikaans. In het huis zetelden soms voor langere, soms voor kortere tijd diverse organisaties. In de eerste plaats natuurlijk de Zuidafrikaanse Stichting Moederland, die in 1996 overigens gewoon Stichting ZASM ging heten. De puntjes gingen er uit. De ZASM was vooral een fonds op de achtergrond dat allerlei projecten van zusterorganisaties financierde. In de tweede plaats was er de nog steeds florerend Nederlands Zuidafrikaanse Vereniging, die het huis gebruikte voor zijn administratieve ondersteuning. Ook waren er andere clubs gevestigd, zoals de inmiddels allang verdwenen  Voorschotkas, opgericht in 1903, die potentiele emigranten naar Zuid-Afrika financieel tegemoet kwam. Een andere club, die onder auspiciën van de NZAV floreerde (en nog steeds floreert) is het Studiefonds voor Zuid-Afrikaanse studenten, kortweg SSF. Een ander fenomeen dat niet ongenoemd mag blijven is het Maandblad Zuid-Afrika, dat eerst door de ZASM en later door de NZAV werd uitgegeven.

Zoals de meesten van u weten ontwikkelde het Afrikaans zich in de eerste helft van de 20e eeuw tot een volwaardige taal. De belangstelling in Nederland voor Zuid-Afrika die zijn wortels vond in de solidariteit met de stamverwante Boeren ontwikkelde zich langzaam maar zeker tot een belangstelling voor het Afrikaans. Aan de Universiteit van Amsterdam kwam een leerstoel Afrikaanse taal en letterkunde met illustere namen als Elisabeth Conradie en later Van Wyk Louw. Uit de boeken die deze professoren verzamelden ontstond langzaam maar zeker een boekerij die uniek was in zijn soort en begin jaren ’50 werden deze boeken  overgebracht naar de Keizersgracht: hier bevond zich reeds de bibliotheek van de NZAV en samen met de boeken van de professoren was het Suid-Afrikaanse Instituut geboren. De bibliotheek werd beheerd door de Stichting ter bevordering van de studie van taal, cultuur en geschiedenis van Zuid-Afrika, kortweg het Suid-Afrikaanse Instituut. 

De belangstelling voor het Afrikaans groeide. Maar natuurlijk bleef de praktijk weerbarstig. Voor de Nederlandse bestuurders van de NZAV was het niet eenvoudig om te moeten constateren, dat terwijl Nederland van 1940 tot 1945 onder de bezetting van de Duitsers had geleden, de solidariteit van de Boeren voor een deel bij de Duitsers had gelegen.Dit kwam vanwege de anti-Engelse gezindheid van zeer veel Boeren, met dank aan de oorlog van 1899 1902. Professor P.J. van Winter werd door het bestuur van de NZAV speciaal naar Zuid-Afrika gestuurd om de plooien glad te strijken. En dat, terwijl het officiële Zuid-Afrika onder leiding van de grote staatsman Smuts, overigens ook een Afrikaner,  aan de kant van de geallieerden had gestaan. Het leverde hem in 1946 een eredoctoraat van de Universiteit van Leiden op.

Ook al bleef er hier en daar –bijvoorbeeld bij het Weekblad Vrij Nederland en de Communistische Partij van Nederland  – kritiek bestaan op het in 1948 ingevoerde Apartheidsbewind, Nederland koesterde de stamverwantschap met Zuid-Afrika. In 1951 werd een cultureel akkoord getekend en in 1953 reisde minister president Drees naar Zuid-Afrika voor een vriendschapsbezoek.  

Ook Prins Bernhard reisde in 1954 naar Zuid-Afrika, waarbij aangetekend moet worden dat koningin Juliana geen stap in dat land wenste te zetten zolang er Apartheid bestond. 

Eind jaren ’50, begin jaren ’60 zwelde in Nederland de kritiek op het Apartheidsbewind aan. Nadrukkelijk moet verteld worden dat het nog een lange tijd duurde voordat de standpunten zo verhard waren, dat van een dialoog geen sprake meer kon zijn. Begin jaren ’60 was er bijvoorbeeld nog sprake van een uitruil van pagina’s tussen het toen nog protestants-christelijke dagblad Trouw en het Zuid-Afrikaanse dagblad Die Burger.  

Maar de dialoog hield niet lang stand en al na korte tijd werd de dialoog gestaakt. Ook duurde het niet lang voordat de bekende protestantse politicus Bruins Slot, tevens hoofdredacteur van het dagblad Trouw een inreisvisum voor Zuid-Afrika werd geweigerd.

Zoals ik al eerder vertelde, zwelde in de jaren ’60 de kritiek op het Zuid-Afrikaanse Apartheidsbewind aan.  Het voert te ver om hier diep op in te gaan, omdat anderen u daar veel meer over kunnen vertellen.  

Ik noem de werkgroep Kairos uit de kerkelijke kring, de Boycot Outspan Actie, Comité Zuidelijke Afrika en de Anti-Apartheidsbeweging Nederland. Een scala van clubs die absoluut breed draagvlak had onder de Nederlandse bevolking. De Anti-Apartheidsbeweging floreerde en reeds op 16 juni 1990, een paar maanden na zijn vrijlating, kwam Nelson Mandela naar Nederland om de Nederlanders te bedanken voor hun solidariteit. Hij werd massaal toegejuicht op het Leidseplein in Amsterdam.  

Hoe verging het nu de mensen die op de één of andere wijze betrokken waren bij de organisaties die hun thuisplaats hadden op de Keizersgracht 141? Welnu, het is bijna niet meer voor te stellen, maar zoals bekend werd Zuid-Afrika en werden de Zuid-Afrikanen in de jaren ’70 en ’80 van de vorige eeuw beschouwd als de paria’s van de wereldpolitiek. En in het kielzog daarvan: Afrikaans was de taal van de Apartheid. Dialoog met Zuid-Afrikanen of het verfoeide Apartheidsbewind was absoluut ‘not done’ en dat is nu precies wat bijvoorbeeld de NZAV wel wenste te handhaven. Dus geen Apartheid, maar wel dialoog. De NZAV gaf invulling aan die gedachte door bijvoorbeeld Zuid-Afrikaanse jongeren naar Nederland uit te nodigen en met hen in discussie te gaan. Interessant detail overigens  is dat in de jaren ’60 een groep conservatieve leden van de NZAV, mensen die dus wel begrip hadden voor de Apartheid, zich in 1968 onder de naam Nederlands Zuid-Afrikaanse Werkgemeenschap van de NZAV hadden afgesplitst.

Maar goed. Ieder contact met het verfoeide Zuid-Afrika werd door de Nederlandse goegemeente als verdacht beschouwd.  

Op 19 januari 1984 drongen ongeveer 40 jongeren met bivakmutsen het gebouw aan de Keizersgracht 141 binnen en sneden telefoonkabels door, gooiden verfbommen op boeken, smeten boekenkasten om, en gooiden tal van kostbare boeken in de gracht. Ook zeldzame parafernalia en munten verdwenen in het vieze grachtenwater. Interessant detail is – zo heeft professor Schutte mij verteld – dat de overvallers ook de door het Apartheidsbewind verboden boeken in de gracht smeten, want die waren daar gewoon in de bibliotheek te raadplegen.

Bekende intellectuelen als Jan Blokker en Boudewijn Büch spraken schande van deze wandaad, maar daar bleef het zo’n beetje bij. Wie er precies achter deze actie zat is nooit precies achterhaald. De bibliotheek werd voor langere tijd gesloten en op last van de verzekering kwamen er twee sluisdeuren aan de voorzijde.

Na de val van het Apartheidsregime en de verkiezingen van 1994 braken er nieuwe tijden aan voor de organisaties en de bibliotheek aan de Keizersgracht.  Maar de wonden, om het zo maar eens te zeggen waren nog niet geheeld. Voorzichtige contacten tussen het Zuid-Afrikahuis, zoals het pand aan de Keizersgracht inmiddels was gaan heten, en de Anti-Apartheidsbeweging kwamen niet of hoogstens hier en daar en met de nodige weerzin tot stand. Maar met de val van het Apartheidsbewind viel ook de Anti-Apartheidsbeweging uit elkaar. Eerlijk is eerlijk: de organisaties aan de Keizersgracht zijn en waren niet echt diep geworteld in de Anti-Apartheidsbeweging, maar de NZAV, opgericht in 1881, met al zijn nukken, weerbarstigheden en soms gelukkige, soms ongelukkige geschiedenis, bestaat nog steeds. De bibliotheek van het Zuid-Afrikahuis floreert, mede dankzij het feit dat de begin jaren ’80 opgeheven leerstoel Afrikaanse Taal- en Letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam met een besluit van het College van Bestuur uit het jaar 2000 in ere werd hersteld.

Maar toen. De problemen van, en in het 17e eeuwse voorhuis en het 18e eeuwse achterhuis aan de Keizersgracht  141 werden zo groot, dat de bestuurders van de Stichting ZASM in 2010 niet anders konden besluiten dan het pand te verlaten en de bibliotheek en de archieven onder te brengen in een universitaire omgeving. De Stichting ZASM is een particulier fonds dat het simpelweg moet hebben van winst uit spaarrekeningen, obligaties en beleggingen.  

Lekkages, scheuren in de muren en zilvervisjes die de archieven opvraten in combinatie met de crisis in de financiële wereld noopten de bestuurders ertoe om te besluiten het pand te verlaten. Maar wie zat er te wachten op een bibliotheek van een kilometer lang en 250 meter slecht of gedeeltelijk geordend archief? Niemand, nou ja, niemand.. Na eindeloos gezoek en vele discussies later zou het archief ondergebracht worden in de grote, professionele en klimaatneutrale archievenkamer van het Koninklijk Instituut voor de Tropen. Een aantal van u zal het bekend zijn, maar voor wie het hier niet weet zeg ik het met plaatsvervangende schaamte: het had de Nederlandse overheid behaagd om uit bezuinigingswoede dit voorname, eeuwenoude instituut te sluiten. Nou ja, het museum mocht behouden blijven maar hoor, gruw en huiver wanneer ik u vertel wat er met de bibliotheek is gebeurd: oké, de oudere boeken, atlassen en kaarten gingen naar Leiden. Medische boeken gingen naar een particuliere club op Urk, Engelstalige boeken naar Alexandrië in Egypte. Maar de rest, vele kilometers niet-engelstalige boeken met allerlei informatie over de derde wereld werden gewoon weggegeven.

Het Zuid-Afrikahuis kon weer bij nul beginnen. Maar toch niet helemaal. Inmiddels waren er een aantal jaren verstreken en was er flink gelobbied, ook in Zuid-Afrika. Het was het Zuid-Afrikaanse bedrijfsleven, meer in het bijzonder de mediagigant Naspers, die ons de helpende hand gaf door onder voorwaarden een structureel bedrag ter beschikking te stellen en zo is in de zomer van dit jaar de verbouwing van Keizersgracht 141 begonnen. 

Tot slot. Wat mag u allen, wanneer u in het najaar van 2015 of daarna een bezoek brengt aan Amsterdam van het Zuid-Afrikahuis verwachten? In de eerste plaats kunt u terecht in de professionele bibliotheek. Tevens kan ik niet zonder trots melden dat het archief dan ook op orde zal zijn. Op dit moment wordt ons complete archief onder handen genomen. Nietjes, paperclips en elastiekjes worden verwijderd, dubbelingen worden er uit gehaald, alles wordt beschreven en in zuurvrije dozen opgeborgen. Belangrijk om te weten is dat de index ook gedigitaliseerd wordt en dus kunt u, voordat u afreist naar Amsterdam, via internet bekijken of er iets interessants bij is om te bestuderen.

Nadat het gebouw opnieuw is ingedeeld komt er op de beletage een ruimte vrij waar lezingen en debatten gehouden kunnen worden, films bekeken en soms een klein huisconcert. Want waar het nu tijd voor is, is om deuren en ramen te openen. Wanneer ik voor Nederland en het Zuid-Afrikahuis spreek, moeten we constateren dat er grofweg drie groepen zijn die geïnteresseerd zijn in Zuid-Afrika. In de eerste plaats, om het maar eens plat te zeggen, ‘ons soort mensen’: mensen geïnteresseerd in taal, cultuur en geschiedenis. Hoe interessant en belangrijk deze groep ook is, zij is relatief klein en heeft de neiging in zichzelf gekeerd te zijn. De tweede groep is groter, maar ook diverser. Tal van theatermakers, cultureel geinteresseerden, zakenlieden, avonturiers, en niet te vergeten mensen en groepen met charitatieve bedoelingen weten de weg naar Zuid-Afrika te vinden, of omgekeerd. Deze groep heeft het Zuid-Afrikahuis niet of nauwelijks weten te bereiken. Oorzaak – en ik spreek nu even alleen voor mijzelf, en nu komen we weer bij het beginpunt- is de taal. Het zal de gemiddelde Nederlander niet heel veel kunnen schelen dat er aan de andere kant van de wereld een taal wordt gesproken die hij in ieder geval zonder veel problemen kan lezen en met een beetje inspanning vaak kan verstaan.  Groep drie, de safarigangers laten we maar even voor wat ze zijn. Het is de uitdaging om groep twee, de grote groep geïnteresseerden in Zuid-Afrika er op te wijzen dat je met het Afrikaans een heel eind kunt komen. De uitdaging is om niet alleen het Afrikaans te ondersteunen, maar impliciet ook het Nederlands en het Vlaams. De Stichting ZASM heeft onlangs uitgesproken dat het uitgangspunt is en blijft de verbondenheid tussen het  Nederlands en het Afrikaans, maar niet exclusief. Wij, Nederlanders, Vlamingen en Afrikaners hebben elkaar nodig om onze taal levend en levendig te houden.  Engels spreken, prima, maar niet het soort koeterwaals dat bijvoorbeeld binnen een bedrijf als KPN, het Nederlandse telecommun icatiebedrijf wordt gesproken. Ik citeer de CEO: ‘Wanneer we die case goed managen, en die unit outsourcen, is dat een opportunity voor onze business. Voor de fijnproevers: toch jammer dat Belgacom KPN in 2001 niet heeft overgenomen. Dat was het taalgebruik binnen dit bedrijf zeker ten goede gekomen.    

Het gaat dus om het belang van onze beider talen. Niet alleen moeten wij voortgaan met het koesteren van onze literatuur en onze geschiedenis, maar ook kijken wat we kunnen doen om onze talen levend te houden, want de kracht van een levende taal zit in het economisch verkeer. Dus dat doen we bijvoorbeeld door debatten, lezingen, apps in het Nederlands of toeps in het Afrikaans. Het Zuid-Afrikahuis anno 2015 zal daar zeker zijn bijdrage aan leveren. Ik dank u voor uw aandacht. Baie dankie. 

 

 

Comments are closed.