KROEPOEK IN DE KOLENKIT

‘Jij hebt een zwarte tante hè?’ zei m’n vriendje Mees.
‘Jazeker,’ antwoordde ik trots, want een zwarte tante, dát was nog eens bijzonder. Zwarte mensen woonden in de West en in Nederland kwam je ze nooit tegen. Eigenlijk snapte ik het niet. Want mijn tante Eva kwam uit Indonesië waar ze mijn oom Reinier was tegengekomen. En in Indonesië waren de mensen niet zwart, maar een soort van lichtgeel, net als de Molukkers, die bijvoorbeeld in Woonoord ‘Lunetten’ in Vught woonden. Daar in dat woonoord in Vught woonde, naast de Molukkers, nog één Nederlandse familie, de familie van mijn tante Corrie, de zus van mijn moeder. Die woonde daar omdat oom Jo een tijdlang onderwijzer was geweest in Waikabubak op Soemba, waar mijn neef was geboren. Die vertelde altijd te pas en te onpas dat hij in Waikabubak was geboren, want dat was nog eens interessant. We kwamen niet vaak bij tante Corrie en oom Jo, maar die ene keer dat ik er was geweest herinnerde ik me wel dat de Molukkers een soort van lichtgeel waren en we aten spekkoek van mevrouw Sapolette.

Oom Reinier en tante Eva woonden in Den Haag. Soms kwamen ze op een zondagmiddag plotseling bij ons in Haarlem op bezoek, want oom Reinier had een auto, een Volkswagen Kever. Het waren moderne mensen. Ze rookten Chief Whip uit een groen pakje en waren uit de gereformeerde kerk gestapt om hervormd te worden. De hervormde kerk was namelijk  lichter dan de gereformeerde kerk. Eén keer kwam Joyce, de jongste dochter ook mee. Ze was erg muzikaal en had al één keer een optreden op de televisie gehad met haar groep ‘De Bibits.’ Op de televisie! Nou jongens, wie kon dat nou zeggen? Het was in het programma ‘Rooster’ geweest, van de Avro. Dat was eigenlijk een saai programma, want het was een programma voor de rijpere jeugd. We hadden het optreden bij de familie Stoute gezien, die verderop woonde en al televisie had. Liever keek ik met m’n zussen naar Pipo de Clown of Swiebertje. Dappere Dodo vond ik te kinderachtig, dat was voor de kleuters. Maar nu Joyce op de televisie was geweest kon ‘Rooster’ natuurlijk niet meer stuk. ‘Het was best wel eng hoor, met al die lampen,’ sprak Joyce later op een familiebijeenkomst heel interessant, terwijl iedereen ademloos toehoorde.  ‘Maar wel een leuke naam, ‘de Bibits,’ zei m’n oudste zus – die had tante Eva bedacht.

Op een avond vroeg m’n moeder of ik het niet leuk zou vinden om een paar nachtjes in Den Haag te logeren. Dat wilde ik wel; het leek me een heel avontuur. Na wat telefoontjes heen en weer – wij hadden als enige familie op de Vondelweg telefoon, dat kwam omdat m’n vader in de gemeenteraad zat  – werd er een afspraak gemaakt en op een dag brachten m’n ouders me met de bus van Maarse & Kroon naar Den Haag. In de flat aan de Joan Blasiusstraat was het een drukte van belang. Uit de keuken klonk het klink en klonk van pannen en schaaltjes, geritsel van bestek en een vrolijke lach van tante Eva. ‘Adoé!’ Het was al vaker verteld in de familie dat wanneer tante Eva kookte en een rijsttafel maakte, ze soms wel drie dagen in de keuken stond. Drie dagen! Dat was nog eens iets anders dan de stamppot voor acht personen die op Vondelweg 380 dagelijks op tafel kwam – met uitzondering van de macaroni op zaterdag en de rosbief met bloemkool en lammetjespap op zondag.

Oom Reinier converseerde over het één en ander met m’n ouders terwijl ik toekeek hoe de kamerdeur steeds open en dicht ging en Joyce binnenkwam om dan weer dit, en dan weer dat schaaltje op tafel te zetten. Tjonge, zoveel schaaltjes? En moest je dat allemaal opeten? Op een gegeven moment kwam ze met grote vellen kroepoek naar binnen om op de schoorsteenmantel te zetten, om te drogen. Maar één vel kroepoek viel naar beneden, precies, tjoep! in de kolenkit. Joyce grinnikte en viste het kroepoekvel er uit en zette het weer op de schoorsteenmantel. Het was bijna zomer en de kolenkit was leeg en schoon, dus het kroepoekvel kon gewoon worden gegeten.

We gingen aan tafel. ‘Tjongejonge, wat geweldig. Wat lekker Eva!’ Mijn ouders overlaadden m’n tante met lofprijzingen en begonnen hier en daar wat uit de schaaltjes op te scheppen. ‘En wat vind jij lekker, Guido?’ vroeg m’n tante. ‘Eh, nee dank u, ik heb geen honger.’ Het was me allemaal veel te eng, al dat rare eten. ‘Wil je niet een stukje kroepoek?’ Ja, dat wilde ik wel proberen. Krak! Hé, dat was best lekker.
De maaltijd vorderde. Of ik niet wat saté wilde, of rendang, of gado-gado. ‘Nee, dank u, echt niet, geeft u nog maar een stukje kroepoek.’

Toen de maaltijd ten einde was namen m’n ouders afscheid. Ik kreeg een brok in de keel, maar probeerde dapper te zijn en liet geen enkele traan. Tante Eva had een bed voor me opgemaakt in de logeerkamer en oom Reinier gaf me een boek om te lezen: ‘Reis om de wereld in honderd dagen en een eiland vol avonturen.’ Ik begon er in te lezen omdat het natuurlijk interessant moest zijn en dus vond ik dat ook.  De volgende dag ging ik achterop de Solex van oom Reinier (die had hij ook) bij een paar mensen op bezoek. Ik kreeg een bal van tante Eva maar toen ik er in het halletje wat mee speelde, moest ik er mee stoppen. ‘Dat mag niet hoor, daar hebben de buren last van, dus als je met de bal wil spelen moet je dat buiten doen, beneden, ’ sprak ze streng. Maar dat durfde ik niet, dus dan maar weer in ‘Reis om de wereld’ gelezen. ’s Avonds gingen we met z’n vieren (Joyce ging ook mee) naar Madurodam. ’s Avonds! Dat was nog eens betoverend, met al die lichtjes. En daarna naar een restaurantje om nog wat saté te eten. Maar ik at natuurlijk niks, want saté kende ik niet. Bijzonder was het natuurlijk wel, ’s avonds laat nog naar een restaurant. Want die waren in Haarlem ’s avonds gesloten.

De paar dagen vlogen voorbij. Oom Reinier bracht me naar de bus van Maarse & Kroon voor de terugreis. Hij ging eerst de bus in om tegen de chauffeur te zeggen dat ik, een jongetje van negen jaar, alleen reisde. In Haarlem kwamen m’n moeder en zusje me ophalen. Hoe was het bij oom Reinier en tante Eva? vroeg m’n moeder. ‘Het was mieters, moeder. Want dat woord, mieters, was heel interessant. Dat had ik van Joyce geleerd.

10062021

3 Comments

  1. Corien

    Schitterend verhaal, terug naar”Haarlem”,
    Bijzonder ook van Woonoord Lunetten in Vught, zo andere leefwereld toen!
    Eigenlijk een soort AOC!

    • Guido

      Inderdaad. ‘Lunetten’ (Vught) en ‘Schattenberg’ (Westerbork) waren gewoon opvangkampen voor asielzoekers die we niet wilden, lees: Molukkers.

  2. Corien

    Schitterend verhaal, goed omschreven.
    Ook Woonoord Lunetten komt mooi naar voren, een soort AOC in de jaren 50-60!
    Leuk zo’n tante gehad te hebben!

Leave Your Comment

Your email will not be published or shared. Required fields are marked *

You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>

*