Khadija Arib en iemand stiekem kalt stellen.

Zomergasten. Daar heeft iedereen in het wereldje van hele, halve en gesjeesde intellectuelen natuurlijk wel een mening over. Nu er weer een nieuwe presentator c.q. interviewer optreedt, nl. Theo Maassen, is en was het de vraag hoe hij het er van af zou brengen. Mij is hij totnogtoe tegen gevallen. Bij cinematograaf Hoyte van Hoytema begon Maassen nog net niet te kwijlen, maar hier was een fan aan het werk die als een kind zo blij was dat hij een paar uur met zijn held mocht verkeren. Bij die uitzending dacht ik nog: je kunt zelfs van iemand als opperslijmer Ivo Niehe nog leren om bijvoorbeeld een klein beetje door te vragen.

Maar ik geef het je te doen en spannender was natuurlijk de uitzending met Khadija Arib. Alleen al over de keuze voor Khadija Arib was er de nodige discussie in de media. Was dat nou wel verstandig van de VPRO om juist op dit moment een uitgebreid programma met Arib te maken? Zij was de zeer gerespecteerde voorzitter van de Tweede Kamer maar werd op een gegeven moment op grond van anonieme bronnen beschuldigd van grensoverschrijdend gedrag en heeft de politiek verlaten. Er is een onderzoek gestart waarvan de resultaten ergens begin van het najaar worden verwacht. In het programma draaiden Maassen en Arib ongeveer twee uur om de hete brij heen en ik neem aan dat iedere kijker met een beetje samengeknepen billen zat te wachten op het moment dat het nou eindelijk eens ter sprake zou komen. Dat gebeurde uiteindelijk en Maassen probeerde Arib uit de tent te lokken door te stellen dat het conflict misschien ook wel eens een oorzaak zou kunnen hebben in haar manier van doen, haar houding, zonder zich daar bewust van te zijn. Maar Arib hield haar rug recht. Ze was glashelder in haar constatering dat ze tot op de dag van vandaag op haar concrete vragen wie haar van wat beschuldigden nog steeds geen antwoord had gekregen. Ze wees daarvoor naar de huidige Kamervoorzitter Vera Bergkamp die buiten haar boekje was gegaan.

Over de procedure die tot het onderzoek naar de beschuldigingen van Arib heeft geleid heb ik geen mening, want te weinig kennis. Ook dien ik nog even de disclaimer aan te halen dat de resultaten van het onderzoek mijn mening eventueel nog zouden kunnen wijzigen. Maar in dit stadium spreekt ondergetekende zijn welgemeende solidariteit uit met Khadija Arib. Het raakt mij, omdat ik hetzelfde heb meegemaakt. Natuurlijk op een ander niveau en in een andere setting. Maar wanneer je dag en nacht bezig bent geweest om in een bijzondere periode van – in dit geval – een klein cultureel instituut als directeur een groot project tot een goed einde te brengen en volkomen onverwacht door een bestuur te kakken wordt gezet, dan voel je je, in de woorden van Arib, ‘voor de trein geworpen’. In mijn geval ging het om de voorzitter van het bestuur, een oud-politicus die blijkbaar in Den Haag zoveel ervaring had opgedaan met het bedrijven van achterkamertjespolitiek dat meerdere verzoeken om het uit te praten of de kou uit de lucht te halen op een ‘njet’ konden rekenen. En natuurlijk – ik veronderstel dat Khadija Arib zich dat ook heeft afgevraagd – worstel je met jezelf en vraag je je meerdere keren af: waar ging het mis? Wat heb ik verkeerd gedaan en mag ik even heel concreet weten wat de reden was? Het meest frustrerend in dit soort gevallen is dat de goegemeente meestal z’n schouders ophaalt. In mijn geval: de gereformeerde heren van het bestuur (dat waren ze ( en zijn ze in meerderheid nog steeds) dronken een glas, deden een plas en alles bleef zoals het was. Op één uitzondering na. Maar dat ging om een bestuurslid die opstapte omdat zijn echtgenote vrijwilliger was in het instituut en deed wat alle andere personeelsleden en vrijwilligers ook deden: opstappen. Pas nadat een oud-hoogleraar het niet meer kon aanzien en een paar externe zwaargewichten inschakelde werd het probleem (tot op zekere hoogte) erkend en werd er ingegrepen. Maar het kwaad was geschied. Het is riskant om vergelijkingen te trekken met de situatie van Khadija Arib, maar machtsdenken, jaloezie, achterkamertjespolitiek, de zaak verdoezelen en vooral géén helderheid willen verschaffen, en tot slot als triest bewijs dat professionele en betrokken mensen de boel dan maar vaarwel zeggen: overeenkomsten zijn er wat mij betreft teveel. Het bewijst dat lafheid en geen moed willen tonen in alle kringen voorkomt, in de Tweede Kamer en in kringen van gearriveerde types die carrière hebben gemaakt in politiek, het leger of de advocatuur. Nog triester is dat van die laatste types de meeste menig zondagochtend heel braaf in de kerk zitten. Schaamteloos. Ik wens Khadija Arib veel sterkte.

11082023      

Bloemen, racisme en de working poor

Iedere week, dag in, dag uit, zo tussen vijf uur en kwart voor zes vroeg in de ochtend rijden er twee volle lijnbussen vanuit Amsterdam naar Aalsmeer om bij de bloemenveiling hun passagiers te lossen. De bussen zitten altijd stampvol; ondanks het vroege tijdstip zijn de bussen afgeladen; niet iedereen heeft een zitplaats. Wat opvalt is de veelkleurigheid van de passagiers: zwarte mensen, Surinamers en Antillianen, vrouwen uit India, Oost-Europeanen, mensen met een ‘mediterraan uiterlijk’, en ook onmiskenbaar veel ouderen. Nadat de bussen op het gigantische complex van de bloemenveiling in Aalsmeer de passagiers heeft gelost, haasten de meesten van het gezelschap zich met de nodige spoed naar een ruimte waar ze werkschoenen aantrekken en een hesje omdoen om zich vervolgens naar de zogenaamde dagstart te begeven. Strikt om zes uur worden de tussen de 250 en 300 medewerkers toegesproken om de details van de dag door te  nemen en dan begint het. Bloemen verdelen. Bloemen zijn producten van kwekers en de ene kweker kweekt rozen, de ander tulpen en weer een ander doet in lelies. Maar de klant, in Nederland, Duitsland of waar dan ook in Europa of verder weg, wil de ene keer een bos tulpen en een andere keer een gemengd bosje gerbera’s. Dus de bloemenhandelaren willen de ene keer vijf fusten tulpen, twee fusten gerbera’s en een fust lelies en vrijwel altijd een paar fusten rozen, de andere keer kersttakken, narcissen, fresia’s en toch ook altijd weer rozen. En snel graag, want het gaat om bederfelijke waar. De bloemen moeten dus verdeeld worden, liefst supersnel. Hier ligt de taak van de honderden bloemenverdelers om met een hoogbeladen kar met één soort bloemen langs paden met andere, lege of halvolle karren te rijden om die met de verschillende fusten bloemen te beladen. Hier één fust voor een bloemenstal of drie fusten voor een grotere zaak, daar vijf tot soms wel twintig fusten voor de tussenhandel. Fysiek en zwaar werk waarvoor de bloemenverdelers via een ingenieus computersysteem via een koptelefoon opdrachten krijgen toegesproken.

Toeristen kunnen vanaf een lange balustrade toekijken op de snelweg met zijpaden waar de honderden verdelers af en aan rijden, ogenschijnlijk kriskras door elkaar heen, maar in werkelijkheid gedisciplineerd en onderworpen aan strenge verkeersregels, zoals richting aangeven, wachten voor haaietanden en achter aansluiten wanneer er een lange rij staat in een zijpad. De ‘oh’s en ‘ah’s’ zijn niet van de lucht, maar voor de werkers nauwelijks te horen tussen het gezoem van de elektrische karren en het gebonk wanneer er een fust wordt verplaatst.

Interessanter dan die georganiseerde mierenhoop is iets wat eigenlijk veelkleuriger is dan de bloemen en dat zijn de bloemenverdelers zelf, want hier werkt zo’n beetje de hele wereld. Veel Surinamers en Antillianen, Afrikanen, maar ook natuurlijk mensen met een achtergrond in Marokko of Turkije. Twee of drie Sikhs, een vrouw van middelbare leeftijd met een lange rok, Jehova’s getuige. Moldaviërs, Oekraïense vrouwen. Een zogenaamde padbeheerder zingt tijdens zijn werk een lied van Oum Kholsoem, de wereldberoemde Egyptische zangeres die ergens in de jaren ’70 van de vorige eeuw overleed. Veel ouderen ook. Kees* bijvoorbeeld, 77 jaar oud, vertelt dat hij dit werk doet omdat hij van z’n AOW alleen niet kan rondkomen. ‘Mijn vrouw heeft COPD en ik ga niet in een koud huis zitten. Zo lang ik dit werk kan blijven doen kan ik de gasrekening blijven betalen.’

Als er ergens een multiculturele samenleving functioneert, dan hier in Aalsmeer. Men vergisse zich niet. Ook hier is wel eens gescheld of geschreeuw te horen wanneer een verdeler meent dat een ander voordringt of de boel niet goed neerzet. Maar net zo goed stoppen collega’s om een ander te helpen wanneer fusten te hooggestapeld zijn om deze op een blad lager te zetten. Door de wol geverfde collega’s die er al langer werken vertellen over incidenten van vroeger toen er soms wel eens een vechtpartij uitbrak. Maar daar is nu totaal niets van te merken. Er wordt door het management voortdurend gehamerd op veiligheid.

Ideaal? Hmm. De les is blijkbaar, dat wanneer mensen van zeer uiteenlopende origine tamelijk éénduidig werk moeten doen, redelijk goed kunnen samenwerken. Maar de working poor, want dat zijn het, doen het niet voor niets natuurlijk. De verdiensten zijn niet om over naar huis te schrijven. In de kantine worden pamfletten verspreid van de vakbonden over de CAO-onderhandelingen. Geeuwend lees ik over de doemscenario’s die het management schetst ( alles wordt door de toegenomen energieprijzen schreeuwend duur, we kunnen niet méér bieden) en de reactie van de bonden (tenminste inflatiecorrectie). Ik gaap nog een keer, hoe vaak hebben we die riedel niet eerder gehoord? Jarenlang was ik vanwege mijn werk aanwezig bij de aandeelhoudersvergaderingen van één van Nederlands bekendste bedrijven en vrijwel nóóit ging het over personeel. Of het moest zijn dat de beurskoers omhoog ging omdat er weer een flinke personeelsreductie werd aangekondigd.

Maar slim is dat management van de bloemenveiling in Aalsmeer wel. Iedereen, jong en oud, wit of zwart, is welkom. Als je het werk maar aankunt. Geen gejammer over personeelskrapte. Accepteer elkaar, roepen diverse aanplakborden in de kantine je op. Geen racisme. Soms is er fruit tijdens de pauze, met kerst wordt een acceptabel kerstpakket uitgedeeld. Een heus kerstontbijt (wel aangepast aan de praktijk natuurlijk) en een oliebol met Oud- en Nieuw. Soms doet het bedrijfsleven gewoon waar in academische kring eindeloos over wordt gezemeld en gekwezeld. Zoals in de roomblanke semi-academische kringen waar ik tot een paar jaar geleden als klein directeurtje jarenlang heb mogen functioneren. Ik geef het direct toe.

* (Niet zijn echte naam)

SPONTAAN GHETTOFEEST

SPONTAAN GHETTOFEEST: HET ZESDE BOEK VAN GUILLAUME VAN DEN BERG

Op de grens van Amsterdam en Amstelveen, onder een aanvliegroute van Schiphol, ligt Uilenstede, een wooncomplex voor studenten bestaande uit een flink aantal non-descripte torenflats. Zo’n jaar of vijftig inmiddels alweer wordt hier gewoond, gefeest, gestudeerd (een beetje), gekookt (veel pasta), gezopen (heel veel), geneukt, geruzied en ook springt er wel eens iemand naar beneden. Tal van gebeurtenisssen, teveel om op te noemen, vonden hier in de afgelopen jaren plaats. De auteur verbaast zich erover dat hier relatief weinig over in de letteren, of wat daarvoor doorgaat, te vinden is. Onder het motto ‘meer Uilenstede in de literatuur’ schreef hij ‘Spontaan Ghettofeest,’ een verhaal over een merkwaardige gebeurtenis uit 1978 die uitliep op een huldeblijk aan een politicus. Naast ‘Naar het strand,’ dat ook op Uilenstede speelt, bestaat de bundel uit verhalen over soldaten die zich vervelen, een hospita met het hart op de tong, naïviteit in Marrakesj, een psychose, corruptie: het zesde boek van Guillaume van den Berg staat kortom voor een avond onvertogen leesplezier.’

Verschijningsdatum: 26 november 2022

Aantal pagina’s: 82

ISBN: 9789 4646 577 46

Prijs: 15,45

Geïnteresseerd? Bestel hier

DE VERPLETTERENDE WERKELIJKHEID VAN ZUID AFRIKA.

Er zijn tegenwoordig meer schrijvers dan lezers en er verschijnen op dit moment dan ook talloze boeken: goede boeken, slechte boeken, mooie boeken, verplichte boeken, lelijke boeken, smakeloze boeken, zouteloze boeken, overbodige boeken, noem maar op. Meest kenmerkende van vrijwel alle boeken is dat ze voor ‘een’ incrowd zijn geschreven: fictie voor vrouwen, non-fictie voor mannen, om maar een dwarsstraat te noemen, en natuurlijk boeken voor bepaalde doelgroepen, geinteresseerden in Zuid-Afrika bijvoorbeeld.
En soms is er dan een boek dat met kop en schouders boven de rest uitsteekt. Zo’n boek is ‘Om het hart terug te brengen’ van Annemarie van Niekerk, omdat het zo’n beetje alle aspecten van leven in Zuid Afrika belicht en ongemakkelijke vragen niet uit de weg gaat.
Annemarie groeide op in een typisch middenklasse Afrikaner gezin en zoals ieder kind nam ze het leven zoals dat was, voor normaal aan. Maar langzamerhand komen de vragen, zoals waarom de zwarte bediende, plotseling van de ene op de andere dag vertrekt en de familie een beetje reddeloos achterlaat. Annemarie is nieuwsgierig en een beetje rebels en gaat na haar studie in Transkei werken, aan de universiteit in Umtata. Langzaam maar zeker dringt de onderdrukkende werkelijkheid van de Apartheid meer en meer naar voren, ook in het thuisland Transkei. Annemarie ontmoet daar de zachtaardige leraar Ruben, die lesgeeft aan dove kinderen, en de zwarte docent en activist Denzel , met wie ze een relatie krijgt.
Het alomtegenwoordige geweld grijpt je in het boek naar de keel, en dat is ook de kern waar het boek om draait, want het geweld komt van alle kanten en de vraag die ondermeer gesteld wordt is of het door de Apartheid geinstitutionaliseerde geweld de oorzaak is van dat huidige geweld.
Het boek eindigt met een opvallend mild oordeel van een zwaar beschadigde familie. Zwaar beschadigd is eufemistisch uitgedrukt, want het gaat om een familie van wie de moeder van 88 en haar zoon ( Ruben) zijn vermoord, de vrouw van een andere zoon ook en tijdens de bijeenkomst, waar Annemarie bij is, wordt verteld dat er ook nog twee andere ( verdere) familieleden door geweld om het leven waren gebracht.
Het milde oordeel gaat om de kern van de zaak: het enorme verschil tussen arm en rijk, de totale uitzichtloosheid van veel jongeren, het opgroeien in bittere armoede, en natuurlijk racisme.
Er valt nog veel meer te zeggen over dit boek, het is maar een impressie. Maar hè hè, eindelijk weer eens een boek over Zuid Afrika dat ongemakkelijke vragen niet uit de weg gaat en het verdient niet alleen door de incrowd gelezen te worden.

BEGONNEN ALLE PROBLEMEN MET VAN RIEBEECK?

Een review

Alle problemen begonnen met Van Riebeeck.’ Onder deze titel heeft voormalig Trouw- en FD-correspondent Niels Posthumus een boek geschreven dat als journalistieke queeste door Zuid-Afrika kan worden beschouwd. Nogal aanmatigend heeft de journalist er als ondertitel aan toegevoegd ‘Wat Nederlanders niet weten over hun rol in Zuid-Afrika;’ dus ik was benieuwd wat ik (nog) niet zou weten toen ik aan het boek begon.

Om te beginnen een welgemeend compliment aan zowel schrijver als uitgever. Legio zijn de boeken en boekjes van oud correspondenten die, min of meer vanwege de bekendheid die de correspondent in een afgelopen periode heeft opgebouwd, worden uitgespuugd. Uitgespuugd zeg ik met name, want het wemelt van de boekjes van oud correspondenten die nog even voordat zij ‘hun’ land verlaten gauw iets in elkaar flansen. Op vrijdagavond beginnen met het bij elkaar harken van wat oude artikelen, verbindende tekst, toeristische tips of wat recepten erbij en voilá: op maandagochtend zijn we klaar. Of met een fles wodka naast de laptop even alle bloedstollende avonturen en herinneringen en woeste meningen uithoesten: alstublieft uitgever, hier is mijn pamflet.

Zo niet het boek van Posthumus. Geen opgewarmde prak maar een oprechte journalistieke zoektocht waarbij hij dwars door Zuid-Afrika reist en de nodige literatuur bestudeert en bestudeerde. De titel van het boek ontleende Posthumus aan een uitspraak van voormalig president Zuma, die tijdens een toespraak voor het parlement de uitspraak deed dat ‘alle ellende in Zuid-Afrika was begonnen met (de komst van) Jan van Riebeeck’. Van Riebeeck moest in opdracht van de VOC een verversingsstation aan de Kaap opzetten en hij begon daarmee in 1652. Vanwege de latere geschiedenis van Zuid-Afrika, met de komst van vele Nederlanders die bij wijze van spreken de Statenbijbel onder hun arm meenamen, en hun latere ontwikkeling tot fanatieke verdedigers van de Apartheid , zou je een rechtstreekse lijn kunnen veronderstellen tussen de komst van Van Riebeeck en het Zuid-Afrika van de Apartheid. Iedere historicus zal hier vraagtekens bij zetten. In de eerste plaats: is de uitspraak van Zuma niet een tamelijk goedkope manier om de aandacht af te leiden van de actuele problemen die Zuid-Afrika teisteren en zelf geen verantwoordelijkheid te nemen? Als het om corruptie gaat in Afrika is Jacob Zuma een goede kandidaat om ergens in de top tien te belanden, na mevrouw Dos Santos uit Angola of de vele Nigeriaanse leiders die met koffers vol diamanten het land tracht(t)en te verlaten. In de tweede plaats is, zeker in het geval van Zuid-Afrika, of Afrika in het algemeen, journalistieke onafhankelijkheid vrijwel onmogelijk. Neem bijvoorbeeld de huidige discussie in Nederland over slavenhandel en slavernij: was de slavenhandel, hoe verschrikkelijk ook, economisch gezien niet gewoon een relatief klein verschijnsel waarvan de impact niet overtrokken moet worden (Piet Emmer), of heeft de slavenhandel, zeker in de tweede helft van de achttiende eeuw, wel degelijk bijgedragen aan de economische bloei van Amsterdam, zoals de laatste inzichten ons doen geloven? En in de laatste plaats: moet de hele geschiedenis van Zuid-Afrika niet ook gezien worden in het licht van de geschiedenis van het kolonialisme?

Ja: ook de Engelsen, met hun concentratiekampen voor Mau Mau strijders bijvoorbeeld aan het einde van de jaren ’50 in Kenya konden er wat van, of de Fransen, of de Portugezen, die als heel arm land in een uithoek van Europa eeuwenlang nauwelijks investeerden in hun kolonies maar het wel tot een gruwelijke oorlog lieten komen, om vervolgens halsoverkop te vertrekken. Bijverschijnsel: dat vertrek van de Portugezen in 1975 had tot gevolg dat de inwoners van Maputo en Luanda jarenlang nauwelijks aan hun nachtrust toekwamen vanwege het enorme aantal blaffende zwerfhonden; voormalige huisdieren die de oud-kolonialen vlak voor hun vertrek maar gewoon op straat hadden losgelaten.
Nee: de geschiedenis van Zuid-Afrika is uniek vanwege de permanente aanwezigheid van een grote witte minderheid en de periode van de Apartheid duurde nog lang voort nadat alle andere Afrikaanse landen allang onafhankelijk waren. Derhalve rechtvaardigt het om een lijn te trekken tussen de komst van Van Riebeeck en de problemen die Zuid-Afrika heden ten dage teisteren.

In zijn boek neigt Posthumus naar de laatste argumentering en vooral de rol van de Nederlandse kolonisten daarbij, die in de loop der eeuwen niet meer Nederlands gingen spreken maar Afrikaans, en bekend staan als Afrikaners. Dat de ontwikkeling van de Apartheid voor een groot deel te danken is aan de afstammelingen van de Nederlandse kolonisten, leidt geen twijfel. Voor zover het de ‘grote’ Apartheid betrof, dus de kwestie waarbij, kort samengevat, het meeste land onttrokken werd aan de oorspronkelijke bewoners en toegewezen aan witte boeren, en slechts tien procent werd gedefinieerd als ‘zwart reservaat’ deden de Engelsen echter van harte mee. Overal staat deze gebeurtenis bekend als ‘the Natives Land Act of 1913’, Posthumus spreekt steeds over ‘de Wet op de Naturellengrond.’ Voortdurend wordt de schrijver heen en weer geslingerd tussen enerzijds zijn oprechte bedoeling om objectieve journalistiek te bedrijven, anderzijds neigt hij steeds naar een zekere vooringenomenheid. Dat geeft hij ook later in het boek toe: ‘Als ik steeds opnieuw krampachtig probeer afstand tussen mij en het Afrikaner volk te scheppen, bewijst dat toch eigenlijk vooral dat die afstand in werkelijkheid een stuk minder groot is dan dat ik wens?’ Want wie is dan die Afrikaner? De diehard Afrikaner, de racist die vindt dat het witte Afrikaner volk een missie te vervullen heeft, bestaat nog wel maar de vraag is hoe groot die groep is en of die nog invloed heeft. Opmerkelijk is bijvoorbeeld dat de Nederduits Gereformeerde Kerk, lange tijd de steunpilaar van het Apartheidsregime, net als de kerken in Nederland, een enorme leegloop kent. Dat alleen noemen zou de kerk tekort doen, want ook binnen de huidige NG kerk vindt veel discussie plaats en ook daarvan doet Posthumus verslag door een (vrouwelijke) dominee te interviewen.

Een hele grote groep van zeker meer dan een miljoen witte Zuid-Afrikanen – Afrikaans èn Engelstalig – heeft inmiddels de uitwijk genomen naar Australië – en in mindere mate naar Nieuw-Zeeland. Reden: het geweld in Zuid-Afrika. Zou je je kinderen daar nog wel willen laten opgroeien? Het is interessant om te onderzoeken waarom Nederland niet zo populair is onder de rijke vluchtelingen – dat wil zeggen, zij die het kunnen betalen om te emigreren, want inmiddels zijn er ook grote groepen straatarme witte Zuid-Afrikanen. Ze wonen in  sloppenwijken en waren postbodes, conducteurs of lagere ambtenaren en kregen van de ene op de andere dag te horen dat een zwarte landgenoot hun plaats in moest nemen. Pikant detail: ook Sisonke Msimang, belangrijk criticus die Posthumus interviewt en die een indrukwekkende speech heeft gehouden tijdens de Mandela-lezing in Amsterdam in 2020, is ook in Australië gaan wonen vanwege de veiligheid van haar kinderen – maar dat laatste  vertelt de schrijver er niet bij.

Alle problemen begonnen met Van Riebeeck is een boek dat meer vragen oproept dan dat het beantwoordt, en dat is goed, want alle thema’s die Posthumus aansnijdt, raken ook aan Nederlandse problemen. Per slot van rekening zijn het de politici van extreem rechts in Nederland (Baudet, Wilders, Bosma) die steeds maar de riedel blank-afrikaans-bedreigd (Let op Nederland!) verkondigen en die riedel is in zijn absoluutheid een leugen. Jammer is derhalve dat Posthumus weinig tot geen aandacht besteedt aan datgene wat ons het meeste verbindt en voorlopig nog zal verbinden: de taal, het Afrikaans. Inmiddels hebben talloze Nederlanders ontdekt dat het Afrikaans geenszins (meer) de taal is van de Apartheid, net zo min als het Duits nog de taal is van Hitler. Schrijvers als Adriaan van Dis, Arnon Grunberg, Stefan Hertmans, Bennie Lindelauf, Mira Feticu en nog vele anderen reisden en toerden met genoegen door Zuid-Afrika en omgekeerd reisden vele Zuid-Afrikaanse schrijvers naar Nederland en Vlaanderen. Zuid-Afrikaanse schrijvers als Elisabeth Eybers, Antjie Krog en Alfred Schaffer wonnen prestigieuze Nederlandse literaire prijzen. De discussie over de positie van het Afrikaans laat ik hier gemakshalve maar even zitten, want dan zijn we weer ellenlange bladzijden verder. En dan zijn er nog de kleine onvolkomenheden die je zo hier en daar in het boek opmerkt: Kruger verbleef het grootste deel van zijn verblijf in Nederland in Utrecht aan de Maliebaan, niet in Hilversum. Waarom zoveel aandacht voor Hertzog, terwijl de grootheden der Apartheid toch echt Malan en Verwoerd heetten? Waarom kozen Nederlanders in de jaren ’50, ondanks het feit dat toen Zuid-Afrika als een soort broederland werd gezien (Premier Drees en Prins Bernhard gingen er op bezoek, Smuts kreeg een eredoctoraat in Leiden) toch massaal voor Canada en Australië wanneer ze wilden emigreren?

Tot slot: ach, die Van Riebeeck. En wat moeten we nou toch met de Van Riebeeckpenning? Die bestaat, al jarenlang, en wordt uitgereikt aan diegene in Nederland die zich bijzonder verdienstelijk heeft gemaakt voor de (culturele) banden tussen Nederland en Zuid-Afrika. Het zijn niet de minste BN’ers die deze prijs hebben ontvangen, maar of ze er heden ten dage gelukkig mee zouden zijn? Ook weer zoiets. In ieder geval, lees het boek van Niels Posthumus. Voer voor een interessante discussie.

09082021

Uitgepreekt

Arbeidsconflicten horen net zo bij het leven als blaren bij de vierdaagse en een kapotte duim bij een klusje in huis. Legioenen advocaten leven er van en het is nog altijd één van de redenen om, uit voorzorg, lid te worden van een vakbond. Toch zou je arbeidsconflicten minder verwachten in kerkelijke kring, misschien omdat het verwachtingspatroon is dat men in kerkelijke kring wat aardiger voor elkaar zou zijn. Een illusie, helaas. Sterker, arbeidsconflicten zijn in kerkelijke kring vaak heviger omdat ze langer voortwoekeren. In het programma ‘Uitgepreekt’ kwam onlangs predikant Gerard Rinsma aan het woord, die na een ogenschijnlijk klein verschil van mening met zijn kerkenraad in Workum in een gruwelijke loopgravenoorlog terecht kwam (EO, dinsdag 29 juni). Zoals zo vaak werd het een proces waarbij op een gegeven moment stellingen werden betrokken, advocaten werden aangesteld, rapporten werden geschreven en gemeenteleden elkaar de tent uitvochten. Ja, Gerard werd beschadigd en zoals zo vaak in dit soort situaties werd de psychologische truc uit de kast gehaald om de persoon in kwestie ‘kalt te stellen.’  De interviewster, Margje Fixse refereerde er in het programma aan met de vraag ‘ dat hij toch ook wel eens eerder een conflict had gehad?’ Met andere woorden: was Gerard niet gewoon een moeilijke man? De interviewster zal deze vraag uit journalistiek oogpunt hebben gesteld (hoor en wederhoor), maar in dit soort situaties heeft het een hoog ‘Omtzigt’ gehalte. Pieter Omtzigt heeft een kankergezwel in de Nederlandse samenleving naar boven gehaald, en omdat dat veel gedoe gaf, met name in het CDA, moest hij kalt gestellt worden door hem een ‘functie elders’ aan te bieden. En toen dat niet lukte, tja dan ga je hem toch als overspannen en zieke man beschrijven?  Klus geklaard. Een gotspe natuurlijk en het is dit soort misselijkmakende en onchristelijke tactiek van mensen die denken dat ze net even meer macht hebben, welke niet vaak genoeg aan de kaak gesteld kan worden. Gerard ging er niet aan onderdoor, maar hij kijkt nu wel anders naar de mensen – en naar de kerk. Heeft die nog toekomst? De vraag stellen is hem beantwoorden.

06072021

KROEPOEK IN DE KOLENKIT

‘Jij hebt een zwarte tante hè?’ zei m’n vriendje Mees.
‘Jazeker,’ antwoordde ik trots, want een zwarte tante, dát was nog eens bijzonder. Zwarte mensen woonden in de West en in Nederland kwam je ze nooit tegen. Eigenlijk snapte ik het niet. Want mijn tante Eva kwam uit Indonesië waar ze mijn oom Reinier was tegengekomen. En in Indonesië waren de mensen niet zwart, maar een soort van lichtgeel, net als de Molukkers, die bijvoorbeeld in Woonoord ‘Lunetten’ in Vught woonden. Daar in dat woonoord in Vught woonde, naast de Molukkers, nog één Nederlandse familie, de familie van mijn tante Corrie, de zus van mijn moeder. Die woonde daar omdat oom Jo een tijdlang onderwijzer was geweest in Waikabubak op Soemba, waar mijn neef was geboren. Die vertelde altijd te pas en te onpas dat hij in Waikabubak was geboren, want dat was nog eens interessant. We kwamen niet vaak bij tante Corrie en oom Jo, maar die ene keer dat ik er was geweest herinnerde ik me wel dat de Molukkers een soort van lichtgeel waren en we aten spekkoek van mevrouw Sapolette.

Oom Reinier en tante Eva woonden in Den Haag. Soms kwamen ze op een zondagmiddag plotseling bij ons in Haarlem op bezoek, want oom Reinier had een auto, een Volkswagen Kever. Het waren moderne mensen. Ze rookten Chief Whip uit een groen pakje en waren uit de gereformeerde kerk gestapt om hervormd te worden. De hervormde kerk was namelijk  lichter dan de gereformeerde kerk. Eén keer kwam Joyce, de jongste dochter ook mee. Ze was erg muzikaal en had al één keer een optreden op de televisie gehad met haar groep ‘De Bibits.’ Op de televisie! Nou jongens, wie kon dat nou zeggen? Het was in het programma ‘Rooster’ geweest, van de Avro. Dat was eigenlijk een saai programma, want het was een programma voor de rijpere jeugd. We hadden het optreden bij de familie Stoute gezien, die verderop woonde en al televisie had. Liever keek ik met m’n zussen naar Pipo de Clown of Swiebertje. Dappere Dodo vond ik te kinderachtig, dat was voor de kleuters. Maar nu Joyce op de televisie was geweest kon ‘Rooster’ natuurlijk niet meer stuk. ‘Het was best wel eng hoor, met al die lampen,’ sprak Joyce later op een familiebijeenkomst heel interessant, terwijl iedereen ademloos toehoorde.  ‘Maar wel een leuke naam, ‘de Bibits,’ zei m’n oudste zus – die had tante Eva bedacht.

Op een avond vroeg m’n moeder of ik het niet leuk zou vinden om een paar nachtjes in Den Haag te logeren. Dat wilde ik wel; het leek me een heel avontuur. Na wat telefoontjes heen en weer – wij hadden als enige familie op de Vondelweg telefoon, dat kwam omdat m’n vader in de gemeenteraad zat  – werd er een afspraak gemaakt en op een dag brachten m’n ouders me met de bus van Maarse & Kroon naar Den Haag. In de flat aan de Joan Blasiusstraat was het een drukte van belang. Uit de keuken klonk het klink en klonk van pannen en schaaltjes, geritsel van bestek en een vrolijke lach van tante Eva. ‘Adoé!’ Het was al vaker verteld in de familie dat wanneer tante Eva kookte en een rijsttafel maakte, ze soms wel drie dagen in de keuken stond. Drie dagen! Dat was nog eens iets anders dan de stamppot voor acht personen die op Vondelweg 380 dagelijks op tafel kwam – met uitzondering van de macaroni op zaterdag en de rosbief met bloemkool en lammetjespap op zondag.

Oom Reinier converseerde over het één en ander met m’n ouders terwijl ik toekeek hoe de kamerdeur steeds open en dicht ging en Joyce binnenkwam om dan weer dit, en dan weer dat schaaltje op tafel te zetten. Tjonge, zoveel schaaltjes? En moest je dat allemaal opeten? Op een gegeven moment kwam ze met grote vellen kroepoek naar binnen om op de schoorsteenmantel te zetten, om te drogen. Maar één vel kroepoek viel naar beneden, precies, tjoep! in de kolenkit. Joyce grinnikte en viste het kroepoekvel er uit en zette het weer op de schoorsteenmantel. Het was bijna zomer en de kolenkit was leeg en schoon, dus het kroepoekvel kon gewoon worden gegeten.

We gingen aan tafel. ‘Tjongejonge, wat geweldig. Wat lekker Eva!’ Mijn ouders overlaadden m’n tante met lofprijzingen en begonnen hier en daar wat uit de schaaltjes op te scheppen. ‘En wat vind jij lekker, Guido?’ vroeg m’n tante. ‘Eh, nee dank u, ik heb geen honger.’ Het was me allemaal veel te eng, al dat rare eten. ‘Wil je niet een stukje kroepoek?’ Ja, dat wilde ik wel proberen. Krak! Hé, dat was best lekker.
De maaltijd vorderde. Of ik niet wat saté wilde, of rendang, of gado-gado. ‘Nee, dank u, echt niet, geeft u nog maar een stukje kroepoek.’

Toen de maaltijd ten einde was namen m’n ouders afscheid. Ik kreeg een brok in de keel, maar probeerde dapper te zijn en liet geen enkele traan. Tante Eva had een bed voor me opgemaakt in de logeerkamer en oom Reinier gaf me een boek om te lezen: ‘Reis om de wereld in honderd dagen en een eiland vol avonturen.’ Ik begon er in te lezen omdat het natuurlijk interessant moest zijn en dus vond ik dat ook.  De volgende dag ging ik achterop de Solex van oom Reinier (die had hij ook) bij een paar mensen op bezoek. Ik kreeg een bal van tante Eva maar toen ik er in het halletje wat mee speelde, moest ik er mee stoppen. ‘Dat mag niet hoor, daar hebben de buren last van, dus als je met de bal wil spelen moet je dat buiten doen, beneden, ’ sprak ze streng. Maar dat durfde ik niet, dus dan maar weer in ‘Reis om de wereld’ gelezen. ’s Avonds gingen we met z’n vieren (Joyce ging ook mee) naar Madurodam. ’s Avonds! Dat was nog eens betoverend, met al die lichtjes. En daarna naar een restaurantje om nog wat saté te eten. Maar ik at natuurlijk niks, want saté kende ik niet. Bijzonder was het natuurlijk wel, ’s avonds laat nog naar een restaurant. Want die waren in Haarlem ’s avonds gesloten.

De paar dagen vlogen voorbij. Oom Reinier bracht me naar de bus van Maarse & Kroon voor de terugreis. Hij ging eerst de bus in om tegen de chauffeur te zeggen dat ik, een jongetje van negen jaar, alleen reisde. In Haarlem kwamen m’n moeder en zusje me ophalen. Hoe was het bij oom Reinier en tante Eva? vroeg m’n moeder. ‘Het was mieters, moeder. Want dat woord, mieters, was heel interessant. Dat had ik van Joyce geleerd.

10062021

Germanisme, Anglicisme, nu ook een Afrikanisme?

Een piepklein verschijnsel in de marge, maar het valt wel op. Op officiële brieven van instanties aan bijvoorbeeld ondergetekende stond altijd “Aan de heer G. van den Berg”. Dat was tientallen jaren zo in Nederland, het was altijd ‘De heer en mevrouw ( dat laatste soms afgekort tot ‘mevr’). ‘Mejuffrouw’ (soms afgekort tot ‘Mej’) voor ongetrouwde vrouwen is ergens in de jaren ’60 al weer afgeschaft. Een enkeling gebruikt het nog wel eens wanneer hij of zij een brief schrijft aan een meisje met de leeftijd tot pakweg 12 jaar, maar officiële instanties gebruiken de aanspreektitel ‘Mej.’ niet meer.
In ieder geval, laat ik ( en mijn zoon) nu de laatste tijd steeds meer brieven krijgen van instanties waarbij in het adresvenster staat dat de brief gericht is aan ‘Meneer G. van den Berg’. Wat zit daar achter? In Nederland wordt ‘meneer’ in het algemeen vooral gebruikt in het dagelijks spraakgebruik, bijvoorbeeld in een winkel: ‘meneer, wat mag het wezen?’ of op straat: ‘Hé meneer, uw gulp staat open!’. Maar de officiële aanhef in en op brieven is en was altijd ‘Aan de heer…’ en dat wordt dus steeds meer ‘Aan meneer’. In het emailverkeer zie je ook steeds meer dat het ‘ Geachte heer ‘ steeds meer vervangen wordt door ‘Beste meneer’.
Waarom gebeurt dit zo sluipenderwijs, of is er meer aan de hand? Is er over vergaderd? De voorlopig enige conclusie die ik kan trekken is dat men het allemaal wat gewoner wilde houden, men vond ‘de heer’ wat te plechtstatig. De hele genderdiscussie kan het niet geweest zijn, want ‘de heer’ of ‘meneer’ blijven mannen.
Maar even droomde ik ervan dat de Chef of Cheffin Aanhef Brieven een toevallig net uit Zuid-Afrika geimmigreerde persoon was, die vond dat de aanhef gewoon ‘meneer’ moest zijn. Want ‘meneer’ (afgekort tot ‘mnr’), dat was hij of zij zo gewend, want de aanhef ‘Aan de heer’ kennen ze niet in Zuid-Afrika. Dus dan was hier sprake geweest van een Afrikanisme! Germanismen ( waar ooit Genootschap Onze Taal voor is opgericht) en de tsunami aan Anglicismen kenden we in Nederland al, maar hiep hiep hoera! Nu kennen we ook het Afrikanisme!
30052021

Verandering begint bij de top – ook bij het Zuid-Afrikahuis

Onder de titel ‘Verandering begint bij de top’ (Opinie en Debat, NRC 22/23 mei 2021) brengt oud-lid van de Tweede Kamer (CDA) Jan Schinkelshoek de patstelling in de politiek van vijftig jaar geleden in herinnering. De verstarde verhoudingen tussen links (lees: de PvdA onder leiding van Joop den Uyl) en rechts (in dit geval met name de confessionele partijen, nu CDA) konden met een extraparlementaire oplossing behendig worden doorbroken. Het leverde een kabinet op dat zonder een uitgewerkt regeerakkoord op afstand van de Tweede Kamer opereerde. Aan het einde van het artikel stelt Schinkelshoek verder nog dat ‘wie een bestuurscultuur wil veranderen, een parlement wil dat zo ongebonden mogelijk opereert, wie een tegenmacht wil creëren, het ook heeft over een politieke constellatie waarbij bewindslieden bij voorkeur van buiten komen. Oftewel: geen Rutte IV […] Of is dat een te radicale cultuuromslag?’

Wie dit artikel oppervlakkig leest, zal het sympathiek vinden, omdat het pleit voor het doorbreken van volkomen vastgelopen verhoudingen. Echter, de heer Schinkelshoek is sinds 2017 ook voorzitter van de Stichting Zuid-Afrikahuis Nederland. Wie hem in die hoedanigheid kent,  kan zich niet aan de indruk onttrekken dat het artikel een sterke overeenkomst vertoont met het pleidooi van Mark Rutte in Nieuwsuur voor een andere bestuurscultuur. Rutte, reeds tien jaar lang premier van Nederland, in die hoedanigheid mede verantwoordelijk voor bijvoorbeeld de toeslagenaffaire, en dan opeens een andere bestuurscultuur – het kan verkeren. Ik haast me om te melden dat er in het Zuid-Afrikahuis geenszins een affaire ter grootte van de toeslagenaffaire heeft plaatsgevonden, maar onder de eindverantwoordelijkheid van voorzitter Schinkelshoek vond er in 2019 wel een tragedie plaats aan de Keizersgracht in Amsterdam die diepe sporen heeft achtergelaten. Alle (!) zes medewerkers en vrijwilligers van dat moment, betrokken professionals, onder wie de bibliothecaris, die vele jaren geleden vrijwel from scratch de bibliotheek had gereorganiseerd, voelden zich gedwongen ‘een functie elders’ te zoeken. [NB: één medewerkster koos ervoor haar tijd ‘uit te zitten’ tot aan de pensioengerechtigde leeftijd]. Verdriet, boosheid, frustratie: het bestuur was doof voor de signalen. Slechts één bestuurslid koos ervoor z’n bestuurszetel ter beschikking te stellen, de anderen bleven liever op het pluche. Pas nadat twee zwaargewichten uit het circuit van buitenaf druk uitoefenden op het bestuur gebeurde er iets, maar toen was het eigenlijk al te laat. Alle medewerkers waren vertrokken of zouden vertrekken – nogmaals, het verdriet, de boosheid, de frustratie en niet te vergeten het verlies van kennis – het was enorm.

Het bestuur ging over tot de orde van de dag en nam nieuwe medewerkers aan, die ongetwijfeld met veel enthousiasme en inzet aan de slag zijn gegaan – geen kwaad woord daarover. Maar voor het bestuur was het gewoon back to business. Wie als oppervlakkige buitenstaander hiervan kennis neemt, zal zijn schouders ophalen en denken: ach ja, overal is wel wat aan de hand en arbeidsconflicten kom je overal tegen. Maar niets is minder waar. Want het gaat veel dieper. Het gaat namelijk over een zelfingenomen bestuurscultuur in combinatie met het volkomen wegkijken van de (nieuwe) verhoudingen tussen Nederland en Zuid-Afrika.

Het Zuid-Afrikahuis en de met haar verbonden organisaties kent een geschiedenis die teruggaat tot eind 19e eeuw. Rode draad in de afgelopen vijftig jaar zijn de zorg, de uitbouw en de professionalisering van de indrukwekkende bibliotheek en de – eufemistisch uitgesproken – ongemakkelijke omgang met begrippen als racisme en Apartheid. Over de bibliotheek zijn vriend en vijand het eens: die behoort tot de internationale top op het gebied van kennis over de cultuur, geschiedenis en letterkunde van Zuid-Afrika. Na de voltooiing van de restauratie van het grachtenpand in 2016 werden tevens uiteenlopende projecten gestart variërend van lezingen, film- en debatavonden tot aan een digitaliseringsproject van archiefmateriaal. Vaste prik zijn en waren de lessen Afrikaans voor Nederlandstaligen en de lessen Nederlands voor Afrikaanstaligen. Niet onvermeld mag blijven dat de Stichting Zuid-Afrikahuis Nederland de bijzondere leerstoel Cultuur, letterkunde en geschiedenis van Zuid-Afrika financiert aan de Universiteit van Amsterdam.

Maar dan die ongemakkelijke omgang met racisme en Apartheid. De aan het Zuid-Afrikahuis verbonden stichtingen en verenigingen gaan terug tot de solidariteit met de Boeren in Zuid-Afrika en hun strijd tegen de Engelsen (‘het perfide Albion’) aan het einde van de 19e eeuw. Terwijl Nederland en de wereld in de jaren ’70 en ’80 van de vorige eeuw massaal kozen voor de strijd tegen de Apartheid, sloot men in het Zuid-Afrikahuis letterlijk en figuurlijk de luiken. ‘Politiek’ was niet aan de orde. Ik  zou de waarheid geweld aan doen om te stellen dat in het Zuid-Afrikahuis van die tijd diehard verdedigers van de Apartheid huisden, maar de band met blank Zuid-Afrika werd gehandhaafd; in zekere zin werd daar begrip voor gevraagd. Er werd lippendienst bewezen aan gematigde Anti-Apartheidsbewegingen, maar daar bleef het dan ook bij. Zo werd bijvoorbeeld in 1975 een uitwisselingstraject van jongeren gestart om kennis te maken met Zuid-Afrika en vice versa met Nederland (‘je moet er geweest zijn om erover te kunnen oordelen.’). Onnodig te melden dat het hier om blanke jongeren ging (en gaat), en – excusez le mot – hier en daar een excuusneger. Na de verkiezingen in 1994 en de bevrijding van de Apartheid gingen in het Zuid-Afrikahuis de luiken letterlijk en figuurlijk voorzichtig weer open. Wat bleef was de band met de Afrikaanstalige bevolking, maar de ongemakkelijke omgang met begrippen als Apartheid en racisme bleven. Harde keuzes werden niet gemaakt. En dat is en was laakbaar, want het Afrikaans, de taal, zucht namelijk nog steeds onder de smet van de Apartheid. Net als het Duits in het Nederland van na de Tweede Wereldoorlog nog vaak met het nazisme werd geassocieerd (nog altijd krijgen Nederlandse kinderen op de middelbare school om die reden (!) pas in het tweede leerjaar Duits), zo werd en wordt het Afrikaans nog steeds met ‘Apartheid’ geassocieerd. Dat is ten onrechte, omdat de meerderheid van de Afrikaanstalige bevolking tot de kleurlingen wordt gerekend en zij heeft, net als de zwarte bevolking, ook onder de Apartheid geleden. Maar het blanke Apartheidsregime gijzelde het Afrikaans en maakte het daarmee de taal van de onderdrukker, terwijl het eigenlijk, om met Breyten Breytenbach te spreken, een ‘bastertaal’ is.

Anno 2021 wordt het debat in Nederland over Zuid-Afrika steeds meer bepaald door extreem rechts. De riedel ‘blank-Afrikaans-bedreigd-onderdrukt’ wordt steeds meer gehoord en afgezien van het feit dat dit in zijn absoluutheid niet waar is, is met name de Afrikaanstalige bevolking hier niet mee geholpen. Het Zuid-Afrikahuis, en dan met name het bestuur, beschouwt zich als de culturele ambassade van het Afrikaans in Nederland. Maar door afwezig te blijven in het debat laat ze de Afrikaanstalige bevolking in de kou staan, omdat het beeld blijft bestaan dat het Afrikaans de taal is van de blanke (bedreigde) bevolking. Nog onlangs twitterde Thierry Baudet over de blanke bevolking van Zuid-Afrika die welkom is in Nederland. Dat de meerderheid van de blanke Zuid-Afrikanen allang voor Australië heeft gekozen, laten we maar even buiten beschouwing. Historici als Arend-Jan Boekestijn en Han van der Horst reageerden er op, vanuit het Zuid-Afrikahuis bleef het stil.

Black Lives Matter, Kick Out Zwarte Piet, The Black Archives, Black Heritage Tours, Sylvana Simons als luis in de pels in de Tweede Kamer, een slavernijtentoonstelling in het Rijksmuseum (georganiseerd door het zwarte hoofd geschiedenis Valika Smeulders), en natuurlijk Jeangu Macrooij en zijn ‘Birth of a new age’ (lees de New York Times), er verandert wat in Nederland. Dat kan het blanke bestuur van de Stichting Zuid-Afrikahuis Nederland zich aantrekken. Ook omdat het Afrikaans steeds minder een witte taal is (en was). De kleine groep blanken in Zuid-Afrika die ervoor gekozen heeft in het land te blijven, is zich hier pijnlijk van bewust en nog niet zo lang geleden vroeg professor Wannie Carstens (Noord Wes Universiteit) hier aandacht voor met het boek ‘Ons kom van ver’. Je moet van ver komen om het te zien (in dit geval de taal en letteren van de kleurlingbevolking aan de Kaap). Maar je kunt het ook anders bekijken. Om het artikel van Schinkelshoek in NRC te parafraseren: wie een bestuurscultuur wil veranderen, een bestuur wil dat zo ongebonden mogelijk opereert, wie een tegenmacht wil creëren, heeft het ook over een constellatie waarbij bestuursleden bij voorkeur van buiten komen. Sylvana Simons zal het te druk hebben, maar misschien kent zij iemand anders. Of is dat een te radicale cultuuromslag?

24052021

BERICHT UIT DE KROCHTEN VAN DE ARBEIDSMARKT

 

Een onregelmatig arbeidsverleden en uitgekakt door de laatste werkgever. Dan maar met pensioen. De stilzwijgende afspraak was dat ik nog een tijdje door zou kunnen werken, maar dat liep dus anders. Na enig rekenwerk wordt het bange vermoeden bevestigd: ik heb een pensioengat. De maandelijkse bedragen die ik in de loop der jaren aan pensioenaanspraken, lijfrentes en natuurlijk de AOW bij elkaar heb gesprokkeld, zijn niet voldoende. Ook de magere WIA-uitkering van mijn chronisch zieke echtgenote en af en toe een free-lance opdrachtje zetten geen zoden aan de dijk. Ik moet dus solliciteren. Illusies maak ik me niet, oud is uit en nog vóórdat ik de AOW-leeftijd bereik, in mijn geval 66 jaar, vul ik op internet een formulier in van PostNL. Een paar dagen later word ik gebeld door een kordate, maar vriendelijke medewerkster van de personeelsdienst. Ze heeft eigenlijk maar één vraag: ‘hoe gemotiveerd bent u, meneer?’ ‘Heel gemotiveerd,’zeg ik, ‘want ik heb een pensioengat.’ Dat lijkt voldoende. Het gesprek duurt niet langer dan vijf minuten.

Postbezorger
Een paar weken later meld ik me bij een troosteloos complex in Amsterdam-West. Er is geen bel of iets wat er op lijkt en ik moet maar wachten op de dingen die komen gaan. Op een gegeven moment komt er een vrouw naar buiten om een sigaretje te roken. Als de sigaret uit is vraagt ze me om mee naar binnen te komen, want ze is de contractmedewerkster van de personeelsdienst. Samen met nog twee anderen, een leeftijdsgenoot en een vrouw wier Nederlands, naar later blijkt, onvoldoende is, gaan we naar binnen. Ik word als eerste bij de medewerkster geroepen en ook nu is het allemaal snel geregeld. Dat ik ooit bij ’s lands grootste telefoonbedrijf heb gewerkt en ontslagen werd, snapt ze maar al te goed. ‘Ik heb hier heel veel ex-KPN’ers voor m’n bureau gehad,’ zegt ze begripvol. Op de vraag wat ik daarna heb gedaan, zeg ik dat ik in de cultuursector werkzaam ben geweest en ze krabbelt ‘cultuur’ op een hoekje van het formulier. Dat ik directeur ben geweest zeg ik er maar niet bij.

Weer twee weken later fiets ik naar een soort groot hok waar postbodes bezig zijn om uit diverse schappen grote zakken te tillen en in fietstassen te proppen. Ik trek een rondslingerend hesje aan met het logo van PostNL en samen met een aardige student maak ik twee rondjes door woonwijken in m’n buurt. Onderweg komt een teamleider, type mij-hoef-je-niets-meer-te-vertellen-want-ik-heb-alles-al-meegemaakt me een hand geven en dat is het dan. Ik ben nu postbezorger voor een paar uur per week. Voor verdere instructies ben ik aangewezen op filmpjes en een app, maar wanneer de app vastloopt geloof ik het wel. De student had me op de belangrijkste zaken gewezen en verder word je via de app wekelijks gebombardeerd met tal van instructies en zaken die wel of niet goed zijn gegaan. Dat varieert van de opmerking dat je na afloop van je rondje altijd je tassen moet nakijken op overgebleven post, tot instructies over de bezorging van pakketjes.

China
Pakketjes zijn een verhaal apart. De postbode bezorgt naast brieven en tijdschriften namelijk ook pakjes die door de brievenbus kunnen, maar bij een aantal kan dat duidelijk niet. Dan dient er aangebeld te worden en is het maar te hopen dat de bewoner thuis is, want anders moet er een briefje door de brievenbus en het pakje afgeleverd bij een postagentschap. Aanbellen bij de buren en vriendelijk vragen of zij het pakje willen aannemen is ook een mogelijkheid, maar na een paar botte weigeringen stop ik daar mee. Nederland bestelt massaal online: boeken natuurlijk, maar ook sokken, overhemden, stofzuigerzakken, koffie, gevacumeerde kaas en de nodige kadootjes, van chocola tot een heel klein vaasje met bloemetjes. Opvallend is wat er uit China komt: piepkleine pakjes met nauwelijks te lezen adresstickers, die vaak bij dezelfde adressen in meervoud door de brievenbus worden gepropt. Veel postbodes hebben er een hekel aan, omdat de soms onooglijk kleine priegelpakjes onder in de tas belanden, onder de grote pakketten, en dan moet er later teruggefietst worden voor iets dat online vaak niet meer dan een euro of twee heeft gekost.

Wanneer de vrachtauto wat later arriveert om de posttassen af te leveren, is dat een goede gelegenheid om een kletspraatje te maken met collega’s. Aardige mensen met allemaal een verhaal. De student met wie ik die eerste zaterdag was meegelopen, kan ondanks zijn afgeronde HBO-opleiding geen werk vinden in de richting van zijn studie. Jacques* heeft ontwikkelingseconomie gestudeerd en was een paar jaar werkzaam in Zuidoost-Azië. Toen het project werd opgeheven keerde hij terug naar Nederland, maar kon geen werk vinden in zijn vakgebied. Dirk*, type ruwe-bolster-blanke-pit, was ooit werkzaam in de offshore. Hij heeft een kort lontje en soms slingert hij wel eens boos wat brieven door de lucht, wanneer de  bundels niet goed gesorteerd zijn. Ongelijk heeft hij niet: hij bezorgt in de polder en één verkeerd gestoken brief of kaart betekent niet eventjes teruglopen, maar op de brommer helemaal terug naar een boerderij, soms honderden meters verderop. De vrouwen zijn in de minderheid, maar draaien gewoon en volop mee. Andere collega’s zijn een klein en stil groepje van Eritrese afkomst, maar na verloop van tijd zie ik die niet meer. Wel komt er nu iedere dag een busje uit Alkmaar met ‘mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt’. Ze vormen een apart groepje en bemoeien zich niet met de anderen, zeggen eigenlijk geen boe of bah. Er wordt goed voor ze gezorgd. Ze hebben speciale fietsen tot hun beschikking met dubbele standaard, terwijl de meeste reguliere postbodes hun eigen fiets mee moeten nemen. Ook krijgen ze koffie, dat in kratten met thermosflessen wordt meegezeuld. Niemand zegt er wat van.

Babytuig
Op één van de weinige werkoverleggen (lokaal café, koffie met appeltaart) stel ik een vraag over de fietsen, want een stilstaande, zwaarbeladen fiets met gewone standaard dondert gauw om. In mijn geval betekent het, zo luidt het antwoord, dat ik met korting een speciale postfiets kan bestellen bij een bepaalde website. Ik vraag maar niet verder. Ik werk gemiddeld maar één dag per week en een speciale fiets is me te duur. Dan maar de fiets van mijn moeder zaliger. Het werkoverleg is overigens speciaal belegd omdat er een nieuwe sorteermethode zal worden gehanteerd. Werden tot voor kort de bundels per straat geheel gesorteerd aangeleverd, voortaan zal dat gescheiden gebeuren: een bundel brievenpost en een bundel met tijdschriften. Iedere postbode krijgt een soort babytuig uitgereikt met twee vakken voor de borst. Al lopend moet hij uit het vak brievenpost en het vak tijdschriftenpost díe poststukken pakken, die bij elkaar horen voor het desbetreffende adres. Dat gaat veel efficiënter, zo heeft onderzoek in Scandinavië uitgewezen. Onder enig gemor en gejoel wordt het tuigje gepast. Twee, drie weken lang, zie ik mezelf en de collega’s er in lopen, en daarna bijna niemand meer. Het ding is onhandig, ikzelf krijg er rugpijn van en als je even voorover buigt valt de post eruit. De twee aparte bundels blijven.

Uitzendburo
Die ene dag werk is me net iets te weinig en een verzoek om één dag meer te gaan werken verzandt in misverstanden. Corona is inmiddels gearriveerd en ik schrijf me in bij een uitzendburo voor vijfenzestigplussers. Er volgt een uitgebreide intake via Zoom waarbij ik aangeef dat ik een dag of twee administratief werk zou willen doen. Daarna blijft het stil. Weliswaar zie ik soms een bericht in m’n mailbox, dat men op zoek is naar een pleinwacht voor een school in Krommenie of een boodschappenhulp in Haarlem, veel is het niet. Wanneer ik toevallig net een postdienst aan het voorbereiden ben, word ik gebeld of ik de volgende dag verkeersregelaar wil spelen. Nee, liever niet. De hele dag staan lijkt me heel wat minder dan de post bezorgen en natuurlijk spelen op oudere leeftijd ook kleine probleempjes een rol. Vooral het doen van de oudemannenplicht leidt wel eens tot problemen. Het zoeken van een dikke boom op een onopvallende plek in een Vinex-wijk is geen sinecure. Gelukkig is het oude distributiehok van de post inmiddels ingeruild voor een bedrijfsruimte met toilet, en dus kan ik voortaan tussen en na m’n twee loopwijken even naar de WC.

Krantenbezorger
Corona of niet, rekeningen lopen door. In de social media word ik doodgegooid met advertenties voor krantenbezorger en ik twijfel. Heb ik daar wel zin in, iedere ochtend, of eigenlijk moet ik zeggen: iedere nacht, vroeg op? Vooruit, waarom niet?  Als het teveel wordt kan ik altijd weer opzeggen. Ook nu weer beantwoord ik een paar vragen op internet en na twee weken word ik gebeld door M, depothouder bij mij in de buurt. Of ik nog interesse heb? Ja dat heb ik en de volgende ochtend meld ik me ’s ochtends om vijf uur bij een bedrijfsruimte op een industrieterrein. Op lange tafels liggen de stapels met verschillende kranten te wachten totdat de bezorgers ze komen ophalen: de krant van wakker Nederland is nog altijd heer en meester, op afstand gevolgd door de Volkskrant. En daarna, in kleine aantallen, Trouw, NRC Next, het Algemeen Dagblad en het Financieel Dagblad. Op één stapel valt een eenzaam nummer op van het Reformatorisch Dagblad. Het Parool en NRC Handelsblad volgen later op de dag.
M. voorziet me van koffie en vraagt me of ik wel eens vaker kranten heb bezorgd. Dat heb ik: ooit, in een grijs verleden was ik de bezorger van het toen nog gereformeerde ochtendblad Trouw voor de gehele Arnhemse stadswijk Presikhaaf. Ik vraag aan M. of hij me niet te oud vindt, maar dat is geenszins het geval. Nee, met die jonge jongens heeft-ie soms meer problemen. Ze verslapen zich en als je ze dan belt nemen ze niet op. Ook nu weer duurt het gesprek niet meer dan een minuut of tien en M. vraagt me de eerste van de volgende maand naar het depot te komen. Dat doe ik, maar als ik om vijf uur aankom begint de depothouder meteen te schelden. Ik ben veel te laat. Een eerste dag doet een bezorger aanmerkelijk langer over z’n wijk omdat hij veel moet zoeken. En vóór zevenen moet alles bezorgd zijn. ‘Zeg het maar,’ riposteer ik en morrend geeft hij mij een blauwe fietstas met het gele logo van de Telegraaf. Zwabberend fiets ik daarna een minuut of tien naar een wijk verderop in Amstelveen; eigenlijk een voormalig katholiek dorp met alle kenmerken van dien: een kerk in het midden en daar tegenover het café. Opvallend is het aantal katten dat je ’s ochtends vroeg al fietsend in een stadswijk tegenkomt. De kat regeert in nachtelijk Nederland. Wat doe jij hier? lijken ze met hun grote knikkerogen tegen je te zeggen, om pas op het allerlaatste moment weg te schieten. Een enkele keer trippelt er een egeltje over de weg. Bezorgen in het dorp is lastig: veel ‘huisjes achterom,’ op- en afstapjes, onduidelijke brievenbussen en niet- doorlopende straatnummers. De Telegraaf bij het café, bij de huisarts ernaast de Volkskrant. Precies om zeven uur schuif ik de laatste krant bij een abonnee in de gleuf. Tevreden fiets ik terug. M. hangt meteen aan de lijn: hoe laat was ik klaar? Zeven uur, zeg ik, maar als ik een paar uur later thuis op de bank indommel, word ik weer gebeld door M. Er zijn maar liefst zes klachten van abonnees die geen krant hebben ontvangen. Hoeveel kranten had ik over? Want alle kranten zijn tot op het laatste nummer geteld en alleen van de Telegraaf kan ik een extra nummer overhouden. ‘Precies’, antwoord ik, ‘ik had maar één exemplaar over.’ Briesend hangt de depothouder op. Hij gelooft me niet. De volgende dag is het nog erger. Er zijn maar liefst tien klachten. Maar ook nu heb ik maar één nummer van de krant van wakker Nederland over. De dag daarop zal er iemand meelopen, zo wordt bepaald. Ik overweeg te stoppen met dit zware werk, maar als ik aankom bij het depot is het pais en vree. Wat was er aan de hand? De vorige krantenbezorger was zo boos over het feit dat hij ontslagen was, dat hij bij diverse abonnees is langsgegaan – hij kende de wijk uit zijn hoofd – en kranten uit de brievenbussen heeft gevist. Als ik de wijk loop, valt me inderdaad op dat er bij twee abonnees een briefje hangt met de vraag of ik de krant goed door de brievenbus naar binnen wil duwen. Met gemengde gevoelens over dit gevecht aan de onderkant van de arbeidsmarkt, en de vraag hoe M. dit heeft opgelost, fiets ik terug naar huis.

Gesjoemel
Maar het kan nog zotter. Aanvankelijk lijkt de verhouding met M. een stuk beter te worden. Vooral het feit dat ik een paar keer naar zijn land van herkomst op vakantie ben geweest en hem ’s ochtends begroet met ‘aiwa’ (hallo) en weer wegrijd met een ‘chukran’ (bedankt) lijkt de sfeer goed te doen. Wanneer mijn dochter en echtgenote positief zijn getest op corona brengt hij iedere dag op zijn knetterende brommer de kranten en legt de stapel in de voortuin. Ook krijg ik een andere wijk toebedeeld, dichter bij mij in de buurt. Kerst en Oud- en Nieuw komen er aan en via de centrale organisatie krijg ik een bericht wanneer de wenskaartjes zullen worden uitgereikt. Het uitdelen van wenskaartjes aan de abonnees met Oud- en Nieuw is altijd een opsteker voor de krantenbezorger. Mits er niet al teveel fout gaat bij de bezorging, kan de bezorger van de krant forse fooien verwachten en het totaalbedrag kan dan oplopen tot een paar honderd euro. Wanneer ik M. er naar vraag, houdt hij een vaag verhaal. Op de dag dat de kaartjes moeten worden uitgereikt, ligt er niets. Weer een dag later zie ik bij één van de abonnees een briefje uit de brievenbus hangen met daarop geplakt twee munten van twee euro. ‘Voor de telegraafbezorger.’ Ik begrijp direct wat er aan de hand is. Er is iemand anders langsgeweest. Soms hebben mensen geen cash in huis en vragen de bezorger terug te komen. In dit geval heeft deze krantenlezer het op een andere wijze opgelost. Verbijsterd stop ik het briefje in m’n zak en na de wijk gelopen te hebben stuur ik een appbericht aan M. dat aan duidelijkheid niets te wensen over laat. M. belt direct daarop terug en we hebben ’s ochtends om zeven uur een onaangenaam gesprek. M. houdt bij hoog en bij laag vol dat het adagium ‘wie de wijk loopt krijgt de kaartjes’ voor mij niet opgaat, omdat ik pas een half jaar kranten bezorg. Onzin natuurlijk.** De centrale organisatie adverteert juist met het lokkertje van de Oud- en Nieuw fooien en in het onderhavige geval is de jongen die bij mijn wijk gevangen heeft, blijkbaar ook nog bij zijn eigen wijk langsgegaan. Hoe dit op te lossen? Ik zou de centrale organisatie kunnen informeren, maar dat heeft weinig zin. Het zou in ieder geval tot meer ruzie – en erger- kunnen leiden, want M. is een gediplomeerde straatvechter die je niet met fluwelen handschoentjes kunt aanpakken.

Ik eis een vergoeding en M. belooft me bij de volgende uitbetaling een bedrag extra. Dat moet ik nog zien. Maar mijn besluit staat vast. Nog even volhouden tot de datum van de volgende uitbetaling en dan stoppen. Hoef ik niet meer iedere ochtend om half vijf op. Om daarna altijd eerst naar buiten te kijken om te zien of het regent, sneeuwt of stormt. Of het gevecht met een regenbroek moet aangaan.

*Namen van betrokkenen zijn gewijzigd. 

**Mediahuis Distributie (in dit geval verantwoordelijk voor de bezorging van ochtendkranten als de Telegraaf, de Volkskrant, Trouw, AD enzovoort) stelt in een reactie dat het beleid inderdaad zodanig is, dat de bezorger die de wijk daadwerkelijk loopt, ook de Kerst- en Oud en Nieuw-wenskaartjes ontvangt om ermee rond te gaan.

17-02-2021