Homo Deus: een schokkend nieuw inzicht (maar waar blijft de humor?)

De mens zal zijn autonomie verliezen. Net zoals het dier, dat, zoals bekend wel degelijk gevoel heeft en pijn kan leiden, afhankelijk is van de mens, zal de mens op zijn beurt geheel onderworpen worden aan het algoritme van de computer. Dat voorspelt de Israëlische hoogleraar Yuval Noah Harari in zijn bestseller Homo Deus.

Niemand die vandaag de dag een boekwinkel binnenloopt kan er omheen. Stapelshoog grijnzen de bestsellers van Harari je tegemoet. In tientallen talen worden z’n bestsellers met  tienduizenden tegelijk verkocht. Een megahit, en terecht, want Harari stelt de juiste vragen.

In Homo Sapiens stapt Harari met zevenmijlslaarzen door de wereldgeschiedenis. Op fascinerende wijze vraagt hij zich af: waarom is de Neanderthaler uitgestorven en heeft Homo Sapiens het wel overleefd? Waarom is de jager/verzamelaar op een gegeven moment met landbouw begonnen? Waarom zijn we op een gegeven moment geld gaan gebruiken? Waarom zijn we de zeeën overgestoken? Enzovoort.

In Homo Deus gaat hij nog een stapje verder. Op een gegeven moment heeft de mens zich dusdanig ontwikkeld, zo stelt Harari, dat er een duidelijk onderscheid kwam tussen mens en dier. Het dier werd afhankelijk van de mens. Het wereldbeeld van de mens werd vervolgens eeuwenlang bepaald door een kosmische afhankelijkheid, dat wil zeggen, de mens waande zich een onderdeel van een werkelijkheid die kosmisch (of zo u wilt religieus) bepaald werd. Dat kun je heel breed uitleggen, en varieert van ‘ik heb een moeilijk leven gehad maar als ik dood ben ga ik naar de hemel’ tot ‘deze oorlog is verschrikkelijk en ik heb daarbij mijn beide benen verloren, maar het is toch voor het goede doel, voor Volk en Vaderland.’ Maar ook die manier van denken ging op de schop, en dat kwam, aldus Harari, door het Humanisme. Het gaat om de eigen ervaring van de mens als zodanig. Oorlog is dus onzin, en Harari adstrueert dat met voorbeelden uit de kunstgeschiedenis. Gaat het bij schilderijen uit bijvoorbeeld de zeventiende eeuw om krijgsheren die hoog te paard zitten en als helden worden afgebeeld, in de twintigste eeuw zien we schilderijen van soldaten die hol en verdwaasd uit hun ogen kijken en de zinloosheid van het krijgsbedrijf uitbeelden.

Harari onderscheidt drie vormen van Humanisme: het liberalisme, het socialisme en wat hij het ‘evolutionair humanisme’ noemt. Bij het liberalisme gaat het om de vrijheid van de mens. Mooi die vrijheid, stelde bijvoorbeeld Karl Marx, maar je hebt er niets aan als je hard moet werken in een fabriek en te weinig verdient om fatsoenlijk te kunnen eten. De evolutionair humanisten zien de wereld als een jungle waarbij de ‘survival of the fittest’ geldt. De sterke krachten moeten juist gesteund worden, anders verzwakt de mensheid als geheel. In z’n extreme vorm vond het evolutionair humanisme een uitlaatklep in ideologieën als het fascisme en nazisme. Maar ik kan het niet nalaten om ook Thierry Baudet te noemen met zijn verlangen naar een ‘boreale (Arische?) wereld’ en z’n geklets over ‘homeopatische verdunning’.

Maar ook aan dat tijdperk van humanisme komt een einde. Met overtuigende argumenten en voorbeelden stelt Harari dat niet alleen de computer werkt volgens een algoritme, maar ook de mens. De eerste reactie van zeer veel mensen op de voorspelling dat de computer alles wat de mens vermag kan overnemen, en dat we een tijdperk binnengaan waarbij de mens zijn autonomie verliest, is altijd: het bewustzijn! Dat heeft een computer niet! En wat de denken als het maken (scheppen) van kunst, van muziek? Ook daar heeft Harari een antwoord op. Ook hier weer komt hij met overtuigende voorbeelden dat de mens ten diepste volgens algoritmes werkt. Hij geeft voorbeelden van proeven met de linker- en de rechter hersenhelft: de ervarende helft en de verhalende helft. Uiteindelijk blijkt dat de mens, door de verbinding tussen die twee helften, niet altijd meer helder heeft wat hij nu werkelijk ervaren heeft en wat hij zicht herinnert. Wat hier van zij: wat de mens kan, kan een computer ook. Een computer kan mooie symfonieën maken waarvan de toehoorder beslist niet weet dat de muziek door een machine is gemaakt. Een diagnose van een ziekte maken kan een computer ook, en zelfs beter: ziektegeschiedenissen, DNA, kennis van verschijnselen: de computer weet het allemaal en maakt de overgrote meerderheid van artsen overbodig.

Homo Deus is een briljant en overtuigend boek dat je lang bijblijft. Min of meer onthutst leg je het weg en je vraagt je af: zal het echt zover komen? Die vraag stellen is al belangrijk en of het de kant opgaat die Harari voorspelt is natuurlijk niet zeker, omdat geschiedenis een open proces is en (nog) alle kanten op kan gaan; en dan hebben we het nog niet eens gehad over oorlogen en natuurrampen. Maar dat we steeds meer autonomie afstaan aan het algoritme van de computer staat als een paal boven water. En ook zoiets als ‘bewustzijn’ blijkt dus niet meer een valide argument te zijn dat het allemaal zo’n vaart niet zal lopen. Tot slot: hoe zit het dan eigenlijk met humor? Hét kenmerk van humor is toch onvoorspelbaarheid? En als een computer ergens een hekel aan heeft, is het onvoorspelbaarheid. Zou de mensheid dan tenminste toch nog iets overhouden wat hem onderscheidt; niet alleen van het dier, maar ook van, ja wat eigenlijk?

08042019

Sinterklaas een kinderfeest?

Na mijn financiële beslommeringen via de website van de bank te hebben afgehandeld, vraagt mijn bank dagelijks een kleine enquête in te vullen. Hoeveel geld besteedt u dit jaar aan Sinterklaas? was de vraag een paar dagen geleden. Het exacte percentage ben ik vergeten, maar rond de 45 procent antwoordde ‘helemaal niets.’

Dat antwoord weerspiegelt duidelijk, dat Sinterklaas geen volksfeest meer is, want dat was het: een nationale traditie Tot ongeveer vijfentwintig jaar geleden vierde heel Nederland Sinterklaas. Niet alleen op de scholen werden Sint en Piet binnengehaald, ook op bedrijven, sportverenigingen, kerkelijke clubs en de zangvereniging kwam de goedheiligman langs. Jong en oud wierpen zich op de surprise en het met een lach en een traan en een kwinkslag produceren van een gedicht. De Sint is weer in het land en hij geeft met gulle hand. De Sint die zat te denken wat hij dit jaar aan Marietje zou gaan schenken. Ergens in de jaren ’90 van de vorige eeuw kwam daar echter de klad in. De overweldigende tsunami van het (Angelsaksische) Christmas vieren bereikte langzaam maar zeker, ook vóór 5 december de etalages van de warenhuizen. Want hoe was dat vroeger: tot en met 5 december waren alle etalages op Sinterklaas gericht, en pas daarna begonnen de voorbereidingen voor het kerstfeest. Wel zo duidelijk.

Maar Sinterklaas is een beetje verschrompeld. Hij wordt alleen nog maar overeind gehouden door de basisscholen en de NOS, die voor een bedrag van rond de één miljoen euro per jaar de intocht mag organiseren en uitzenden. Dat komt allemaal doordat de Nederlander alles wat sluipenderwijs uit de westerse (lees: Amerikaanse) cultuur komt overwaaien, gretig accepteert. En dus praten we vooral Engels, bijvoorbeeld op de universiteit of het bedrijf, en importeren we dat idiote Halloween.

Sinterklaas een kinderfeest, nou en? De wereld verandert en reeds in de jaren ’70 van de vorige eeuw waren er discussies op de televisie dat Zwarte Piet moest verdwijnen, omdat negers (zo heetten ze toen) voor Zwarte Piet werden uitgescholden. Later waren er meer van die discussies (‘Zwarte Piet, zwart verdriet’) maar die sloegen niet aan. Waarom niet? Heel simpel: er waren toen gewoon nog niet zo veel donkere mensen in Nederland. En nu er dus meer donkere mensen in Nederland zijn, worden die ook meer uitgemaakt voor ‘Zwarte Piet’. Terecht dus dat de discussie over Zwarte Piet wordt gevoerd, maar wie beweert dat dat ‘flauw’ is omdat het om een kinderfeest gaat, heeft het niet helemaal bij het rechte eind. Want het was jarenlang een volksfeest.

De verdedigers van Zwarte Piet die zwart moet blijven zijn dus een beetje laat met hun strijd. Ze hebben jarenlang het volksfeest laten wegkwijnen en beginnen nu te piepen dat Zwarte Piet hun vriend is en niets te maken heeft met racisme. Sterker nog, ze negeren het democratische recht van een ander. De roomblanke nazaten van Grote Pier hielden op zaterdag 18 december op levensgevaarlijke wijze in Friesland bussen tegen met mensen die van hun democratische demonstratierecht gebruik wilden maken. Het lijkt wel op een flauwe echo van de freedom-riders in de Verenigde Staten die in de jaren ’60 van de vorige eeuw vanuit het noorden naar het zuiden trokken om, zwarten en witten tezamen, in gesegregeerde zwembaden te springen en in café’s bestellingen te doen die alleen voor blanken waren bestemd. Het leidde tot protest, geweld en nog veel erger. De geschiedenis is bekend. Maar in Nederland gebeurt alles later, veel later. Per slot van rekening behoort Nederland tot de landen die als één van de laatsten de slavernij heeft afgeschaft.

De literaire asielzoeker

Er zijn tegenwoordig meer schrijvers dan lezers. Op dit moment, as we speak, vertrouwen duizenden, zo niet miljoenen mensen in Nederland hun fantastische ideeën toe aan het geduldige papier of de zachtzoemende laptop. En dan, daar, aan de andere kant van de wereld, na een lange tocht door de woestijn van het nachtenlang schrappen, herschrijven en redigeren wacht het Beloofde Land. Maar eerst nog even de zee oversteken. Het bootje van post of  email moet het geniale werkje zorgvuldig vervoeren. Maar tijdens die tocht naar het Beloofde Land, ook wel Uitgeversland geheten, verdrinken vele werkjes al in de zee. De post wordt niet bezorgd of de uitgeversmailbox raakt verstopt. Voor de werkjes die wel het Beloofde Land bereiken geldt de barre ontnuchtering. ‘Blijf liggen hier op de kade, en verroer je niet, blijf op de stapel, of kwijn weg in de mailbox,’ is de boodschap. Fatsoen is er nauwelijks bij. Het uitroepen van ‘ga toch terug man’ komt nog net niet over de lippen; soms wel de vermoeide uitspraak: ‘wij willen u niet en wij wensen u succes op een andere kade.’ Op al die ondoorgrondelijke wijsheden die de uitgeversmaffia nog wel eens wil afscheiden zijn natuurlijk wel uitzonderingen. Geld, bijvoorbeeld. Wie een acceptabel werkje heeft gewrocht, en een bedrag tussen de drieduizend en zevenduizend euro kan neertellen, heeft een goede kans bij een respectabele uitgever terecht te kunnen. Want met dat geld zijn de grootste risico’s van de kosten die misschien niet worden terugverdiend meteen al afgekocht. Een andere uitzondering: u bent reeds een bekende Nederlander. Dan hoeft u niet eens te kunnen schrijven, dat doet een ander voor u. Of u bent Correspondent. U harkt in een lang weekend wat oud werk bij elkaar, lardeert dat met wat anekdotes, een recept en een bijzondere toeristische tip en voilá! Tot slot: tja, dat ene werkje van die mooie blonde Hollandse meid (doet het goed op TV) die door haar oud-gereformeerde opa op haar veertiende op een zondagmiddag tussen de korenbloemen in haar billen werd geknepen, ehm, dat zou misschien wel kunnen.

Er is hoop voor de literaire asielzoeker. Hij (of zij) kan zelf z’n werk uitgeven bij een Printing-On-Demand-uitgeverij of het zelfs helemaal alleen doen, in eigen beheer. Toegegeven: u wordt uitgegeven met links van u de diepdoorvoelde gedichtenbundel ‘God houdt van jou en blijft je trouw’ en rechts van u het ontroerende ‘Mijn kind had Teennagelkanker. En overleefde het.’ Kortom, denk maar niet dat u serieus wordt genomen door het Bespreekgeteisem (Boudewijn Büch). En toch: wat er in zit moet er uit. En wat is kwaliteit? Literatuur gaat ook over smaak. Zo is literatuur voor vrouwen en non-fictie voor mannen. Vraag maar eens rond in uw omgeving. En er zijn sprookjesliefhebbers en er zijn sprookjeshaters. De één walgt van de bombastische taal van Adri van der Heijden, de ander loopt er mee weg. De perfecte verhalen van Harry Mulisch zijn voor de één gemaakt door een genie, de ander vindt het te geconstrueerd. Dus wat er moet gebeuren is simpelweg de democratisering van de literatuur. Vergelijk het met een reisbureau. Er zijn er nog wel een paar, maar echt nodig zijn ze niet meer, want de mensen doen het zelf, tenzij ze iets heel speciaals willen. Zo zal het ook gaan in uitgeversland. Het zal zeker nog een tijd duren, maar de literatuurmaffia, die alleen maar aandacht schenkt aan wat De Uitgeversbranche bedenkt en organiseert, zal zich ooit een keer verslikken in haar eigen naar binnen gerichte vergrijsde navelstaarderij. Dus dames en heren, geef de moed niet op. Schrijf!

Ween o heer! (Drs. P overleden)

Ween O Heer! (Ode aan Drs. P)

Wij staan hier aan de oever van ons machteloos’ bestaan
De andere oever is daarboven, waar men ooit heen zal gaan
Daarboven zijn we nu nog niet, want we zijn nog hier,
Maar als we daar dan zijn, missen we toch wel wat vertier
Sommigen geloven dat je terugkeert, dat je re-ïncarneert
Maar word je dan niet moedeloos, als je wederkeert?
De één die wil naar boven, is het leven moe
De ander zou nooit willen, het leven lacht hem toe
Het is een refrein, dat u goed onthouden moet,
Priester, pastores, dominees: ze preken alsof het er toe doet:

Ween O Heer!
Ween O Heer!
Ween O Heer!
Ween O Heer! (2X)

De meesten gaan naar boven, sommigen komen weer terug
Een goed mens zal gaan loven, een ander wordt slechts mug
Maar als we gewoon maar accepteerden, dat dood is dood en weg is weg
Dan had je minder gejammer, een rotleven was gewoon pech
Dat zou dan weer zo somber zijn, waar is dan toch de hoop?
Als je die niet hier vindt, dan toch wel in de hemelbiotoop?
Zo wordt er dus eeuwenlang gebeden, gepreekt en gedelibereerd,
Zeker weten we het nog steeds niet, dus wordt het tijd dat u zich bekeert:

Ween O Heer!
Ween O Heer!
Ween O Heer!
Ween O Heer! (2X)

En als we dan weer iemand begeleiden naar het einde of het eeuwige bestaan
Dan denken we na over de zin van ’t leven of waar wij henen gaan
Waarom zijn wij hier op aarde, doet ons bestaan er toe?
Vraag het al die mensen, die reeds gestorven zijn, een waarheid als een koe:
Ik weet het niet, ik weet het niet, dat is het enige wat telt
Ze roepen het van boven en van onder, het wordt alom gemeld
Zo denken wij nu allen, en wie iets zeker weet is het toch vreemd
Dat die ander die absolute zekerheid maar steeds niet tot zich neemt:

Ween O Heer!
Ween O Heer!
Ween O Heer!
Ween O Heer! (2X)

De aarde is vol,
ik zeg: de aarde is vol
Kom niet terug mensen,
de aarde is vol.
Blijf toch daarboven
U ziet toch dat de aarde vol is.
Toe nou mensen, kom niet meer terug op aarde.
Blijf toch weg mensen,
Dat loopt nog verkeerd af,
Wees nou verstandig mensen

(Uit: Ver trekken de treinen. (Guillaume van den Berg, uitgeverij Boekscout 2011)

(‘ Waarde mijnheer van den Berg. Ontvang hierbij mijn welgemeende dank voor uw onderhoudende variant op het nummer Veerpont. H. Polzer, 12-03-2013’)

Je ne suis pas Charlie

Binnen in mij raast en tiert het. Ik ben kwaad, verontrust en eigenlijk ook wel bang. Twee fanatieke idioten hebben op koelbloedige wijze in Parijs tien journalisten en twee agenten doodgeschoten. Later vermoordde een ander in een Joodse supermarkt nog eens vier mensen.
Het islamistische geweld staat weer helemaal boven aan de agenda. 

Het is verschrikkelijk wat er is gebeurd en het is en was zaak zo snel mogelijk stelling te nemen tegen deze terreur. Toen het nieuws bekend werd was het Geert Wilders met z’n mislukte Mozartkop die het momentum direct begreep: ‘Het is oorlog,’ verklaarde hij zo’n beetje als eerste politicus op televisie. Rutte kwam met een schriftelijke verklaring. Gelukkig was er later ook burgemeester Aboutaleb van Rotterdam die in perfect Frans z’n solidariteit verwoordde.

Veel mensen, ook in Nederland, gingen de straat op om nadrukkelijk uitdrukking te geven aan hun verontwaardiging over deze afschuwelijke misdaad en door het schreeuwen van ‘Je suis Charlie’ solidariteit te betuigen met het vrije woord. Ik was er niet bij. Ik had andere dingen te doen, maar ook ga ik meestal niet naar dit soort manifestaties, omdat je nooit weet of je meegenomen wordt in een massa die dingen schreeuwt waar je later niet achter kunt staan.

Charlie Hebdo heb ik nooit gelezen omdat ik niet alle tijdschriften van de wereld kan lezen. In mijn studententijd had ik een abonnement op Propria Cures. Dat hoort als student. Gnuivend besprak ik met mijn buurman onder het genot van een glas bier de idiote stukken uit dit gediplomeerde afzijkblad, bijvoorbeeld over een neukende Beatrix die tegen Prins Claus (op een bijgevoegde tekening met hakenkruis) zegt dat ze geen zin heeft in Kroningsdag omdat haar schoenen knellen. Later hadden we Theo van Gogh die op diverse media anderen kankers en tumoren toewenste of ze naar de gaskamer verwees. Ik had een hekel aan Theo van Gogh. Toen ik hem een keer op het Leidseplein passeerde, rokend uiteraard, met zijn overhemd uit zijn broek en zijn dikke pens blubberend over de broekriem, wist ik het zeker: je bent een vieze, egocentrische klootzak.

Maar het is gevaarlijk om dit op te schrijven. Want nu ik dit opschrijf, voel ik meteen de dringende behoefte om plechtig te verklaren dat ik natuurlijk tegen het vermoorden van Theo van Gogh ben. Dat ben ik ook oprecht, maar waarom  moet ik dat meteen verklaren? Vanwege het veronderstelde verwijt te behoren tot het kamp van hen die vonden ‘dat-ie het er ook naar gemaakt had?’ Ik ben en was tegen het vermoorden van Theo van Gogh, tegen het vermoorden van de ijdeltuit Pim Fortuyn, maar ook tegen het wurgen van een meisje in Friesland, van wie iedereen ten onrechte vermoedde dat ze door een asielzoeker was vermoord. En ook ben ik tegen het doodschieten van een in het criminele circuit verdwaalde plaatsgenote, moeder van twee kinderen. Enzovoort.

Ze durfden het eigenlijk niet te zeggen, de paar gesluierde moslima’s die anoniem werden geïnterviewd op televisie, maar ze vonden wel dat de journalisten van Charlie Hebdo het er een beetje naar hadden gemaakt. Ze waren tegen het doodschieten, maar toch…
In een interview met de hoofdredacteur van Charlie Hebdo (‘Charb’), dat na zijn dood werd gepubliceerd, verklaarde hij dat hij niet voor een volkomen vrijheid van meningsuiting was zoals in de Verenigde Staten, waar je bijvoorbeeld ongebreideld overal en nergens je Nazi-ideeën kunt verkondigen. En waar er ook veel mensen zijn die vinden dat dat moet kunnen, ook al zijn ze het niet eens met de inhoud. Het is interessant dat ook ‘Charb’ vond dat er grenzen zijn aan de satire en de belediging. Hoe ver kun je gaan?

Zeker is dat het ‘Quod licet Iovi, non licet bovi’ hier volop van toepassing is. In mijn werk wordt ik regelmatig geconfronteerd met de zogenaamde ‘plaasmoorde’. Een plaas is het Afrikaanse woord voor boerderij. In Zuid-Afrika worden regelmatig blanke boeren op afgelegen boerderijen op beestachtige wijze om het leven gebracht. Vaak bestaat de buit van de roofmoordenaars uit niet meer dan een paar mobieltjes en wat kos uit de koelkast. Zoals een betrokkene ooit in de pers beweerde: ‘Waarom komen ze niet op zondagochtend, als we naar de kerk zijn? Ze weten dat we er dan niet zijn, en kunnen dan de boel leegroven. Maar dat doen ze niet, want er is ook haat in het spel.’ Opvallend is dat er in de pers en de media, voor zover er in Nederland over bericht wordt, omzichtig mee wordt omgegaan. Men is bang om begrip te kweken voor die oude, blanke gerefomeerde mensen die misschien ooit aanhangers waren van de Apartheid. ‘Er komen veel meer zwarte mensen om het leven dan blanke’, heet het dan. Rot op. Natuurlijk is het waar dat er in Zuid-Afrika veel meer zwarte mensen door geweld om het leven komen dan blanke. Dat is vreselijk en erg, maar doet niets af aan het verdriet en de ellende van de blanke boer. Alsof we tegen de nabestaanden van de vermoorde journalisten van Charlie Hebdo gaan verklaren dat het in Noord-Nigeria veel erger is, waar Boko Haram dit weekend tweeduizend mensen om het leven bracht.

Ik ben tegen het vermoorden van mensen. Maar ik ben ook tegen het opzettelijk beledigen van mensen, dat kan omslaan in haat, in pesten, in mensen in een hoek drijven. Het is al heel wat wanneer we elkaar de hersens niet inslaan. En een beetje aardig voor elkaar zijn. Na een paar duizend jaar beschaving is dat een saaie, maar vooral ook trieste conclusie. Je ne suis pas Charlie. Jeg er Utoya.

De eenzaamste mens

Plof. Mijn nichtje dacht nog dat iemand een matras van één van de hoogste verdiepingen van de studentenflat had gegooid, maar ik kon haar, vergezeld van het geluid van aanstormende politie- en ambulancesirenes, uit de droom helpen. Er had weer eens iemand zelfmoord gepleegd door naar beneden te springen. Gezien het feit dat er al gauw een laken over het lichaam werd gelegd en de boel werd afgezet, was al gauw duidelijk dat de persoon in kwestie dood was.

Het is iedere keer weer een schok wanneer iemand zelfmoord heeft gepleegd. Of het nu iemand uit de naaste omgeving is, of een beroemd acteur als Robin Williams, gevoelens van ongeloof en verdriet overheersen. Robin Williams! De man met de vriendelijkste mimiek ter wereld. De prachtige Mrs. Doubtfire, de aardigste leraar ter wereld uit ‘Dead poets society’ of de sympathieke arts uit ‘Awakenings’. Stuk voor stuk prachtfilms en zo’n fantastische acteur pleegt zelfmoord. Hoe is het mogelijk!

Specialisten op het gebied van zelfmoord haasten zich in het geval er weer eens uitleg moet worden gegeven dat zo’n vijftien procent van de Nederlanders aan vormen van depressiviteit lijdt en dat ernstige depressiviteit tot doodsverlangen kan leiden. Zelfmoord of een zelfmoordpoging is dus gewoon een resultaat van ziekte. Onzin natuurlijk, dat wil zeggen: het is gedeeltelijke onzin.

Natuurlijk is het zo dat de ene mens altijd een zonnige kijk op de werkelijkheid heeft en dat een ander het altijd somber inziet. Natuurlijk is het zo dat sommige mensen psychiatrische klachten hebben die zo ernstig zijn, dat het leven onleefbaar wordt. De persoon ervaart het leven als verschrikkelijk, iedere dag is een hel en dus ziet deze mens maar één mogelijkheid: eruit stappen.

Dat gezegd zijnde, is er natuurlijk veel meer aan de hand. De Franse socioloog Emile Durkheim was één van de eerste wetenschappers die zich met het verschijnsel zelfmoord bezighield. Eén van zijn conclusies was – we praten over eind 19e, begin 20e eeuw- dat zelfmoord in protestantse kring veel vaker voorkwam dan in katholieke kring. Durkheims voorzichtige conclusie was, dat dat kwam omdat een protestant een groter eigen verantwoordelijkheidsgevoel had of ervaarde, en dat een katholiek zich meer in een gemeenschap opgenomen voelde. De protestant, met zijn sterke rechtstreekse relatie tot God, was kortom eenzamer dan de katholiek. Durkheim signaleerde dus dat er maatschappelijke factoren waren die konden bijdragen aan een doodsverlangen.  

In de jaren ’70 van de vorige eeuw was het bon-ton om van alles de maatschappij de schuld te geven. Het kwam allemaal door de politiek. Of, zo werd beweerd, mensen werden geïndoctrineerd door kerk, staat en kapitaal. Ze waren geconditioneerd. Dat laatste wisten ze zelf nog niet maar met hulp van wetenschappers, kritiese leraren, buurthuismedewerkers en ander volk moesten vooral omstandigheden veranderd worden en meer bewustzijn gecreëerd. Alles zou goed komen. Een wereld van gelijkheid lag in het verschiet. Wie psychiatrische problemen had, hoorde eigenlijk niet in een inrichting plaats. Natuurlijk, hij of zij moest geholpen worden maar die pillen waren eigenlijk onzin. In een psychiatrische inrichting in  Den Dolder leefden patiënten en verplegers onder leiding van een zekere dokter Carel Muller als gelijken onder elkaar. Het werd er een puinhoop en de inrichting werd gesloten.

Nu leven we in een tijd waarin alles zo’n beetje aan jezelf te wijten is. Succes is de maatgevende factor en het hebben van succes is vooral het resultaat van eigen inzet. Werkloosheid – het kan iedereen overkomen maar als je werkloos blijft heb je eigenlijk niet goed je best gedaan. Schulden? Natuurlijk ligt dat aan jezelf. Had je maar niet meer moeten uitgeven dan er binnenkwam. Ziekte is natuurlijk een wat controversiëler onderwerp, maar ook hier ligt het toch ook aan jezelf. Nee, niet de ziekte zelf, dat is net zoiets als werkloosheid en kan iedereen overkomen. Waar het om gaat is dat ziekte een verschijnsel is dat overwonnen moet worden. Het gaat om de uitdaging. Legio zijn de verhalen over de gevechten tegen kanker en hoe de ziekte overwonnen werd. Tja, en als de ziekte toch echt terminaal blijkt, gaat het nog steeds om het gevecht. Je weet maar nooit of-ie toch niet overwonnen kan worden met wilskracht of bietensap.

Komen we weer terug op het onderwerp zelfmoord, dan gaat het vandaag de dag dus niet, of te weinig, over het feit dat iemand door externe factoren tot wanhoop kan worden gedreven. Laten we nog een stapje verder gaan. Kun je stellen, dat externe factoren mensen een dusdanig ellendig leven bezorgen of bezorgd hebben, dat er een keuze bestaat tussen de dood of een ellendig leven? Met andere woorden: een keuze voor de dood betekent geen zorgen meer.

In de meidagen van het jaar 1940, ten tijde van de inval van de Duitsers, was er slechts een handjevol mensen dat zelfmoord pleegde. Onder hen de schrijver Menno ter Braak. Ter Braak was een uitgesproken criticus van het nationaal-socialisme en hij kon dus gevoeglijk aannemen dat hij in een door de Duitsers bezet Nederland met grote problemen te maken zou krijgen. Hij koos dus voor het niet-hebben van grote problemen. Nog een stapje verder: stel nu eens dat veel joden in die dagen zelfmoord hadden gepleegd. Zouden ze – hoe morbide die vraag ook is – vanuit historisch perspectief gelijk hebben gehad? De keuze voor de dood zou de meesten van hen behoed hebben voor vervolging, uitbuiting, honger, ziekte en een ellendige dood in een concentratiekamp. Wat wij met de kennis van nu ook mogen beweren, de meeste joden wisten in de meidagen van 1940 echter nog niet precies welke ellende zij tegemoet zouden gaan. Maar stel nu eens dat zij dat wel wisten of voorvoelden, zou een massale zelfmoord dan gerechtvaardigd zijn? Natuurlijk, het nazisme bestrijden was de andere optie, maar als individu heb je niet altijd de keus, en ieder mens zit anders in elkaar. Zo heeft de één meer vechtlust dan de ander. Dat verklaart tevens waarom de één toch door wilde leven, en de ander zich tegen de omheining van het concentratiekamp met prikkeldraad van 220 volt wierp.

Terug naar 2014. Waarom zou iemand, met uitzondering van diegenen die al sinds hun jonge jaren ernstig last hebben van psychisch of lichamelijk lijden, zelfmoord willen plegen? Legio zijn de signalen van specialisten en wetenschappers die er op wijzen dat sociale en economische zekerheid wel degelijk een voorwaarde zijn voor een tamelijk gelukkig bestaan.

‘Bij mensen die onzeker zijn over hun inkomen, zorgt stress voor een minder goede werking van de frontale hersenschors,’ schrijft neurowetenschapper Jeroen van Baar in NRC Handelsblad van zaterdag 30 augustus. De Vlaamse psychotherapeut Paul Verhaeghe deed onderzoek naar ernstige depressies. Hij verwachtte veel verhalen over klassieke neurosen, maar hij constateerde: ‘Deze mensen hadden vooral klachten over dingen die te maken hadden met werk en economie. Mensen kampten met ernstige schulden, met werkloosheid, met overmatige stress, met enorme competitie in hun bedrijf.’(Tijd, bijlage bij Trouw, 7 juni 2014)

Maar, zoals eerder betoogd, succes is heden ten dage de maatgevende factor. Wie geen succes heeft, heeft dat vooral aan zichzelf te wijten. Sterker nog, we leven in een cultuur die vooral mensen die het minder hebben opjaagt en ze bij wijze van spreken een schuldgevoel geeft. Wie werkloos is en van een uitkering van het UWV gebruik maakt, moet vooral geen fouten maken. Een kennis van schrijver dezes, die een uitkering genoot, maar parttime ging werken, gaf braaf het aantal gewerkte uren op aan het UWV. Het totaal aantal gewerkte uren kwam overeen met het aantal gewerkte uren dat de werkgever had opgegeven. Echter, de dagen en tijdstippen klopten niet helemaal vanwege een misverstand. De vrouw kreeg een boete van 400 euro opgelegd, een brief met uitleg van de werkgever mocht niet baten. De schrijver van dit artikel kreeg ooit te maken met acute stopzetting van zijn uitkering omdat hij zo braaf was kleinere, onregelmatige inkomsten uit free-lance activiteiten op te geven. Slechts met de grootste moeite en via allerlei omwegen kon de uitkering weer worden hersteld. Het zijn slechts kleine voorbeelden van een stalinistische bureaucratie en of het nu om het UWV gaat, de belastingen of de administratie van een woningbouwvereniging, wie het even minder heeft moet oppassen dat hij of zij niet langzaam maar zeker wordt fijngemalen.

Vooral mensen die te goeder trouw zijn, het redelijk voor elkaar hadden maar in minder fortuinlijke omstandigheden terecht zijn gekomen, kunnen in een gevaarlijke spiraal naar beneden geraken. Natuurlijk zal de één psychisch méér kracht hebben dan de ander, maar het argument blijft overeind: externe factoren kunnen tot doodsverlangen leiden.

Blijft over de vraag wat daar aan is te doen.  Voor zover het de overheid betreft, zou die er door politici op gewezen moeten worden dat die negatief gezinde opjaagcultuur gestopt moet worden. Natuurlijk, wie een uitkering geniet mag gecontroleerd worden. Maar ga wel uit van het feit dat het overgrote deel van de mensen te goeder trouw is. En wanneer bijvoorbeeld woningbouwverenigingen mensen al direct op de hielen gaan zitten wanneer ze niet snel genoeg de huur betalen, mogen ze zichzelf ook de vraag stellen of ze wel snel genoeg zijn met het oplossen van problemen aan de woningen. Dat laatste is meestal niet het geval.
Nog een voorbeeld. De overheid probeert terecht het gevaar van terrorisme in te dammen. Tegen idioten die bommen willen gooien of aanslagen plegen moet de maatschappij beschermd worden. Maar om allerlei mensen, meest familieleden van verdachten, dan ook maar meteen een uitkering af te pakken, gaat te ver. Immers, wat is het perspectief van een niet-westerse allochtone jongere, die ziet dat zijn vader zich kapot werkt voor een inkomen van, pakweg, 1600 euro schoon in de maand? Ja, hij moet ook schoonmaker worden en zich koest houden, dat willen we. Maar dat hij dat zelf niet wil, is zeer verklaarbaar. Criminaliteit ligt op de loer, of, avontuur, een doel in het leven, houvast, de jihad. Waar is dan die coach of door de wol geverfde leraar die de jongere een vak leert en een perspectief biedt?

De overheid de schuld geven van de toename van het aantal zelfmoorden is natuurlijk onzin, maar diezelfde overheid zou wel wat kunnen doen aan opjaagculturen en stalinistische bureaucratieën (bijvoorbeeld die van het huidige UWV).  

Tot slot de belangrijkste vraag: wat kan het individu doen dat – bijvoorbeeld – terecht is gekomen in een negatieve spiraal van werkloosheid, schulden en depressiviteit? Vele suggesties zijn mogelijk, maar kernwoorden hier zijn toch acceptatie en aanpassing. Acceptatie van de situatie als zodanig, en niet zwelgen in een gevoel van  zelfmedelijden of de gedachte ‘waarom ik?’ Aanpassing is vervolgens het allerbelangrijkste. Wie zich aanpast aan de nieuwe, vaak ongunstiger situatie en de hoop niet opgeeft doet meer dan hij kan. Zo bezien is degene die z’n huis uit is gezet en op straat rondzwerft sterker dan degene die naar de bovenste verdieping van een flat gaat om daar vanaf te springen. Een beetje moed is er wel voor nodig om die laatste sprong te maken, maar dan is het ook afgelopen. En voor de zwerver geldt dat het misschien toch nog een keer goed komt, ook al ontbreekt het hem aan de (geestelijke) energie. Daar heeft hij dus wel hulp bij nodig.    

Moderne nutteloosheid

Na een prettig interview maakte de nuttige gedachte zich van mij meester dat mijn OV-chipcard opgeladen moest worden. Het zou de volgende dag reistijd schelen en zo begaf ik mij naar één van de oplaadmachines van het GVB in het Centraal Station. ‘Transactie akkoord’ viel er op het schermpje te lezen en er werd twintig euro van mijn bankrekening afgeschreven. Maar wat er ook gebeurde, het rode lichtje waarmee het apparaat kenbaar moest maken dat de OV-chipcard werd opgeladen, ging niet knipperen. ‘Kassa gesloten’ viel er nu op het andere, grote scherm te lezen. Ik was twintig euro kwijt maar mijn OV-chipcard was niet opgeladen. Ontredderd liep ik nog een beetje voor het apparaat heen en weer. M’n telefoon ging. Het was mijn zoon. ‘Papa, m’n beugel zit los,’ was de boodschap. Er viel niets anders op om dan maar naar huis te gaan, om een orthodontist te raadplegen en een claimformulier op internet in  te vullen. Na een busrit van een uur liep ik naar m’n woonhuis, waar vier mannen in oranje hesjes in mijn voortuin mijn pas ingezaaide afrikaantjes en goudsbloemen stonden te vertrappen. ‘Wat doet u hier en kunt u alstublieft uitkijken waar u loopt?’ vroeg ik geërgerd aan de lieden, van wie de nationaliteit het midden hield tussen Slowakije, Syldavië en Turkije. Het bleken werknemers te zijn van een onderaannemer van Reggefiber. Reggefiber legt in onze woonwijk, in opdracht van met name het ineenschrompelende KPN glasvezel aan en daar zit ik helemaal niet op te wachten. Ze zijn er tien jaar te laat mee en een huis, tuin en keukengezin heeft voldoende aan de Kabel. De Zuidoost – Europeanen hadden een enorm gat in de grond gegraven en waren op een loze, gele kabel gestoten. Dat moest gecontroleerd worden en de man die zich als teamleider voordeed, vroeg of hij in de kruipruimte van mijn woning mocht kijken. Dat mocht. Ik opende het luik en de man zakte naar beneden. Hij vloekte omdat z’n schoenen doorweekt raakten. Er lag namelijk een flinke laag water in de kruipruimte. Dat wist ik, en daar had ik de woningbouwvereniging al eens vaker van op de hoogte gesteld, maar, zoals bekend, doen woningbouwverenigingen tegenwoordig niet zoveel meer aan wonen. Oké, voor een klemmend deurtje willen ze nog wel eens langskomen, maar als het lastig wordt, geven ze niet thuis. Woningbouwverenigingen handelen in derivaten, schaffen nieuwe computersystemen aan die van de administratie een puinhoop maken, geven krantjes uit waarin staat dat de bewoners van Tutti Frutti-dorp nieuwe keukens hebben gekregen en hun directeuren openen –hoe actueel!-  anti-racistische manifestaties.
De teamleider kon niets vinden en de conclusie was dat de loze, gele kabel inderdaad een loze, gele kabel was die ooit bij de bouw van ons huis was achtergebleven. Nadat de heren weg waren gegaan en mijn tuin in ontredderde toestand hadden achtergelaten, met onder het raam een kleine onooglijke spriet die als een naakte staak zinloos omhoog stak, ging ik naar binnen. Weer ging mijn telefoon. Het bleek een mij hoger geplaatste in de ordening des levens die mij van een interessant feit op de hoogte wilde stellen. Interessant of niet, het betekende weer een hoop geregeld en gedoe want het feit noopte mij tot het maken van diverse lastige afspraken. Innerlijk gillend en gruwend zocht ik mijn bed op en trok de dekens over mijn hoofd. In een wereld waar apparaten staan die zomaar geld van je bankrekening afschrijven, waar beugels loslaten, zinloze kabels worden aangelegd, kruipruimtes niet droog worden gemaakt en ingewikkelde afspraken moeten worden gemaakt wilde ik niet leven. De slaap kon ik natuurlijk niet vatten. Ik pakte zinloos een boek van het stapeltje dat naast mijn bed stond. Het was Een ellendige nietsnut van Remco Campert. Godzijdank, ik was niet alleen en moest nu toch wel een beetje grinniken.    

In memoriam: Arthur Gotlieb

Het overkomt me niet vaak dat ik een krantenartikel even terzijde moest leggen, omdat het zo herkenbaar was en veel emoties opriep.

In de NRC van afgelopen zaterdag 12 april stond een artikel over Arthur Gotlieb. Arthur Gotlieb was een hardwerkende, conscientieuze medewerker bij de Nederlandse Zorg Autoriteit die langzaam maar zeker steeds meer werd tegengewerkt door het management. Op de één of andere manier paste hij niet in het plaatje, er moesten per slot van rekening mensen uit. Hoewel Arthur een uitstekende medewerker was, kreeg hij steeds meer te maken met tegenwerking en vervelende functioneringsgesprekken. Hij werd ernstig depressief en pleegde uiteindelijk zelfmoord.

Het verhaal van Arthur Gotlieb gaat niet uitsluitend over de NZA, maar over al die ontslagmachines die Nederland rijk is (de banken, KPN, bepaalde (semi-) overheidsinstanties). In hun gedrevenheid om grotere personeelsreducties tot een zichtbaar resultaat te brengen, maken (HR-)managers de fout dat zij hun observatievermogen ondergeschikt maken aan hun ijdelheid. De formele plannen met outplacement-trajecten, ontslagtrainingen, oprotpremies en overleggen met ondernemingsraden en vakbonden kunnen niet verhullen dat er naast het formele verhaal Machiavelliaanse machtsspelletjes worden gespeeld. Het gaat er voor de simpele medewerker om of hij dat spel kan meespelen of niet. Het formele verhaal, kennis van ontslagregelingen en procedures is belangrijk, maar nog belangrijker is op het juiste moment binnenlopen bij het management, kennis van werkelijke bedoelingen, halve en hele waarheden, de constatering of je wel of niet ´in het plaatje past´.

En dus mogen sommige mensen op onverklaarbare wijze blijven werken of krijgen een fantastische regeling aangeboden, anderen worden naar de uitgang geduwd of moeten maar oprotten. Het voert te ver om alle (HR-) managers van alles en nog wat te betichten, zeker is dat zij bewust of onbewust zaken accepteren die niet door de beugel kunnen, of er soms zelfs aan meewerken. Want het doel, de reorganisatie en het ontslag-target, heiligt vele middelen.

Specialisten uit de wereld van coaching en outplacement adviseren de verliezer (degene die met ontslag bedreigd wordt) dat hij of zij z’n verlies maar moet nemen en er een vette oprotpremie uit moet slepen. Maar daar zijn twee bezwaren tegen. In de eerste plaats zit de wereld niet te wachten op blanke mannen of vrouwen, vijftig-plus, die banen hadden als ‘ beleidsmedewerker’ of ‘ procesondersteuner’. Inmiddels is genoegzaam bekend dat je als oudere werkzoekende maar moeilijk aan de slag komt. Maar ook belangrijk is, dat het management in zijn jacht op het ontslag-target negeert, dat de meerderheid van de medewerkers uit loyale mensen bestaat, die gewoon hun werk willen doen. Op zijn minst willen ze gewaardeerd worden. Maar bijvoorbeeld opdrachten om meer negatieve beoordelingen uit te delen vergiftigen vaak de toch al gespannen verhoudingen.

Af en toe komen er signalen naar buiten, zoals de afschuwelijke suicide van Arthur Gotlieb, of, zoals een paar jaar geleden, een golf van suicidegevallen bij France Telecom (het is helaas een internationaal verhaal). Maar het meest onthutsende is, dat men binnen de bedrijven waar dit soort zaken speelt, zijn ogen sluit omdat iedereen voor z’n hachje vecht. Pas na het ontslag komen de verhalen naar buiten. Het is maar net aan welke kant je staat.  Voor wie binnen een bedrijf werkt waar de ontslagmachine in gang is gezet en zich afvraagt wat hij of zij nu moet doen, zou ik zeggen: lees ´Il Principe´ van Machiavelli. Of: ´Hoe word ik een rat´ van Joep Schrijvers. En verder alle ontslagprocedures bestuderen.

Een grappig taaltje

´Grappig taaltje hé,´ zegt de Nederlandse toerist in het voorbijgaan wanneer ik me na het ontbijt in een Kaapstads hotel verdiep in de zaterdagbijlage van Die Burger. ´t Is gewoon een táál hoor,´ antwoord ik enigszins knorrig terug. De toerist houdt vol: ´Nou ja, je zou toch kunnen zeggen dat Afrikaans een primitief soort Nederlands is.´ ´Net zo primitief als Nederlands, Duits, Frans en noem maar op,´ knor ik weer terug en de toerist druipt af.
Bij Nederlanders die voor het eerst geconfronteerd worden met Afrikaans overheersen indrukken als ´grappig´, ´leuk´, ´primitief´ en nog zo wat neerbuigende of minzame observaties. In een oppervlakkig en slordig geschreven geschiedenisboek over Zuid-Afrika door de Franse journalist Dominique Lapierre (aanbevolen door prinses Irene) beschrijft deze het Afrikaans ook als een primitieve taal. Hoezo Franse arrogantie, maar dit terzijde.

Kan de taal van gelauwerde dichters als Ingrid Jonker, Elisabeth Eybers en schrijvers als Etienne van Heerden, Coetzee, Breytenbach, Deon Meyer en noem maar op, de taal die door Adriaan van Dis de hemel in wordt geprezen, primitief zijn? Kan een taal überhaupt primitief zijn ? Natuurlijk geeft een vreemde taal in de oren van anderssprekenden een bepaalde indruk en dus vinden wij Duits gestructureerd en basaal, het Frans zangerig en kittig en is het Engels cool. Of dat laatste alleen maar vanwege de allesoverheersende aanwezigheid van het Engels in de wereld is, of dat Engels inderdaad intrinsiek een aantrekkingskracht heeft op anderssprekenden, is een vraag die ik hier niet beantwoorden kan.

Taal is de expressie van de ziel. Daarom is een moedertaal zo belangrijk, omdat je in je moedertaal kunt denken, voelen, zingen, ruziemaken en liefhebben. Probeer maar eens emotioneel en heetgebakerd ruzie te maken of gepassioneerd lief te hebben in een aangeleerde taal. Tien tegen één dat je niet altijd de juiste woorden kunt vinden, en dus teruggrijpt op woorden of uitdrukkingen uit je moedertaal. Ik spreek uit ervaring.

Maar wat nou zo fantastisch is, is dat taal een levend iets is en voortdurend in beweging. Sommige talen lijken op elkaar omdat ze in het verleden één waren. Ga je terug in het verleden dan concludeer je dat het Frans, Spaans en Italiaans uit het Latijn zijn ontstaan, en het Duits en Nederlands bijvoorbeeld uit een oervorm van het Germaans. Zo twijfel ik er niet aan dat er over honderd jaar twee, drie of vier soorten Engels worden gesproken: het Brits-Engels, het Amerikaans, het Australisch en nog zo wat vormen van Engels. In de aanbevolen talen voor Windows en andere computertoepassingen wordt al gevraagd of je voor het Brits-Engels of Amerikaans-Engels kiest. Maar het is natuurlijk een onmiskenbaar en zeer groot voordeel dat Amerikanen, Britten en Australiers hebben dat ze bijna all over the World meteen in hun moedertaal kunnen praten en alleen maar hier en daar wat kleine misverstanden zullen hebben. En die suffe Nederlanders? Ik kan u verzekeren dat het een verademing is om in Zuid-Afrika met journalisten, zakenmensen, wetenschappers en vrienden gewoon in het Nederlands en Afrikaans te converseren. Met hier en daar een misverstand, dat wel, maar dat hoort er gewoon bij.

Ooit was er eens een bedrijf, KPN.

Vorige week zag ik in het journaal een vermoeid ogende, afgematte man. Zijn naam was Eelco Blok, voorzitter van de Raad van Bestuur van KPN. Hij kondigde weer eens een flinke personeelsreductie aan. Ik kende Eelco Blok –ik heb immers jaren bij dat bedrijf gewerkt – als een intelligente, energieke technocraat, die in het Engels-koeterwaals dat in bedrijven als KPN gebezigd wordt (‘We gaan die case goed managen en dat is een opportunity voor onze business’) altijd zoiets uitstraalde als ‘we gaan er tegenaan’. Maar nu zag ik een oude man met ingevallen wangen die slaap tekort had. Nog droeviger was dat de aangekondigde personeelsreductie, altijd goed voor een flinke opwaartse waardering van de koerswaarde van een bedrijf, de koerswaarde dit keer niet of nauwelijks liet stijgen.

Soms vraag je je wel eens af: waarom doen we dit met z’n allen? Bijvoorbeeld altijd maar mensen ontslaan, want dat is goed voor de beurswaarde. Er zijn van die hardnekkige trends waar je maar niet van af komt, en als je later terugkijkt zeg je: gek toch dat we jaren voortmodderden en niet meteen een andere beslissing namen. Voorbeelden te over. Neem bijvoorbeeld in Nederland zoiets banaals als het formaat van kranten. Jarenlang hadden Nederlandse kranten het formaat van een groot zeil waar je je achter kon verschuilen. Het was super onhandig, zo’n enorme lap goedkoop bedrukt papier. Buiten de krant lezen was onmogelijk, want de wind nam je mee de lucht in. Tijdens trein- of busreizen werd heel wat afgekibbeld wanneer iemand een pagina wilde omslaan (wat meestal maar half lukte). De buurman kreeg al gauw onbedoeld een por of gestrekte vuistslag toegediend of het leek alsof iemand met gestrekte arm de Hitlergroet bracht. En toen, eindelijk, begon één krantenuitgever het formaat aan te passen. Gedeeltelijk, stel je voor, één deel in nieuw magazine-formaat en één deel nog in het ouderwetse grootformaat. Maar hoe voorzichtig ook: het was een heldendaad en nu weten we niet beter. En zo zijn er nog meer van die merkwaardige trends. Even na zessen nog naar de supermarkt: nu weten we niet beter, maar wat een ellende was het destijds voor werkenden om nog vlak voor sluitingstijd wat eten in te slaan. Jaren heeft het geduurd. Waarom? Omdat iedereen zei dat het zo moest. Totdat iemand het doorbrak en anderen volgden.

Eén van de trends van deze tijd is de belabberde service van grote bedrijven. Vraag in uw eigen omgeving eens rond, en tien tegen één dat vrijwel iedereen wel één of ander conflictje heeft met KPN, T-Mobile, NUON, de Belastingen, een abonnementenservice of internetprovider. Verkeerde aansluiting, onjuiste gegevens, automatische afschrijving die maar doorloopt: iedereen kan moeiteloos een voorbeeld geven. Het is een trend en al die internetproviders, telecom-aanbieders, energiebedrijven lijken op elkaar: als je ook maar iets wilt wijzigen of veranderen of opzeggen loop je een dikke kans dat het niet lukt. En wat is de oorzaak? Het Systeem. U belt, en na één van die vreselijke bandjes te hebben gehoord (‘Om u nog beter van dienst te zijn hoort u eerste een keuzemenu’), wordt u eindelijk te woord gestaan door Dennis of Chantal of Vivian die uw klacht of probleem in Het Systeem zet. En dat is nu net het probleem. Binnen Het Systeem wordt uw klacht weer doorgezet en daar gaat het mis: uw klacht wordt niet meer bewaakt en wordt soms wel eens opgelost, maar vaak ook verdwijnt-ie in Het Systeem. Dennis of Chantal of Vivian zijn allang naar huis.

Het is een trend van alle bedrijven (‘het is efficënt hoor, en de statistieken wijzen het uit’) en daarom is het lood om oud ijzer of je nu met T-Mobile belt of via KPN mailt. Arm KPN. Het is gewoon een bedrijf als alle anderen, en kwaliteit, een beetje nationale trots: het zal de consument worst wezen, behalve natuurlijk de prijs. En dan die andere trend: ontsla mensen en het stuwt de beurskoers omhoog. KPN, als één van de eerste bedrijven in Nederland dat van een log overheidsbedrijf de enorme omslag naar een efficient en concurrerend mediaconcern moest maken, lijkt patent te hebben op het ontslaan van werknemers. Sterker nog, topmensen uit de personeelsdienst, eh pardon, het HR-management natuurlijk, verkopen het kunstje nu bij de banken, één bij de Rabobank en de ander bij ING.

Is er nu werkelijk niets aan te doen? Misschien zou –bijvoorbeeld KPN- weer iets (meer) aan kwaliteit kunnen gaan doen. Door Dennis of Chantal of Vivian persoonlijk verantwoordelijk te maken voor uw probleem of klacht, en niet Het Systeem. En door Dennis of Chantal of Vivian niet meteen weer te ontslaan als het weer eens wat minder gaat, maar ze perspectief te bieden op een carrière (en deze niet alleen te reserveren voor academische toppers). Misschien zouden bedrijven als KPN de werknemers voor de keuze kunnen stellen: geen salarisopslag, maar wel baangarantie. Maar niets is zo moeilijk als het doorbreken van een trend. Voorlopig werd KPN vorig jaar gered door een stel oudere heren uit het bedrijfsleven, en niet door de overheid. En ook niet door de Raad van Bestuur van KPN. Het waren oudere heren die een Mexicaanse kapitalistische aandelengraaier wisten tegen te houden. Misschien wel omdat zij beseften dat er een trend doorbroken moest worden.