Ween o heer! (Drs. P overleden)

Ween O Heer! (Ode aan Drs. P)

Wij staan hier aan de oever van ons machteloos’ bestaan
De andere oever is daarboven, waar men ooit heen zal gaan
Daarboven zijn we nu nog niet, want we zijn nog hier,
Maar als we daar dan zijn, missen we toch wel wat vertier
Sommigen geloven dat je terugkeert, dat je re-ïncarneert
Maar word je dan niet moedeloos, als je wederkeert?
De één die wil naar boven, is het leven moe
De ander zou nooit willen, het leven lacht hem toe
Het is een refrein, dat u goed onthouden moet,
Priester, pastores, dominees: ze preken alsof het er toe doet:

Ween O Heer!
Ween O Heer!
Ween O Heer!
Ween O Heer! (2X)

De meesten gaan naar boven, sommigen komen weer terug
Een goed mens zal gaan loven, een ander wordt slechts mug
Maar als we gewoon maar accepteerden, dat dood is dood en weg is weg
Dan had je minder gejammer, een rotleven was gewoon pech
Dat zou dan weer zo somber zijn, waar is dan toch de hoop?
Als je die niet hier vindt, dan toch wel in de hemelbiotoop?
Zo wordt er dus eeuwenlang gebeden, gepreekt en gedelibereerd,
Zeker weten we het nog steeds niet, dus wordt het tijd dat u zich bekeert:

Ween O Heer!
Ween O Heer!
Ween O Heer!
Ween O Heer! (2X)

En als we dan weer iemand begeleiden naar het einde of het eeuwige bestaan
Dan denken we na over de zin van ’t leven of waar wij henen gaan
Waarom zijn wij hier op aarde, doet ons bestaan er toe?
Vraag het al die mensen, die reeds gestorven zijn, een waarheid als een koe:
Ik weet het niet, ik weet het niet, dat is het enige wat telt
Ze roepen het van boven en van onder, het wordt alom gemeld
Zo denken wij nu allen, en wie iets zeker weet is het toch vreemd
Dat die ander die absolute zekerheid maar steeds niet tot zich neemt:

Ween O Heer!
Ween O Heer!
Ween O Heer!
Ween O Heer! (2X)

De aarde is vol,
ik zeg: de aarde is vol
Kom niet terug mensen,
de aarde is vol.
Blijf toch daarboven
U ziet toch dat de aarde vol is.
Toe nou mensen, kom niet meer terug op aarde.
Blijf toch weg mensen,
Dat loopt nog verkeerd af,
Wees nou verstandig mensen

(Uit: Ver trekken de treinen. (Guillaume van den Berg, uitgeverij Boekscout 2011)

(‘ Waarde mijnheer van den Berg. Ontvang hierbij mijn welgemeende dank voor uw onderhoudende variant op het nummer Veerpont. H. Polzer, 12-03-2013’)

Je ne suis pas Charlie

Binnen in mij raast en tiert het. Ik ben kwaad, verontrust en eigenlijk ook wel bang. Twee fanatieke idioten hebben op koelbloedige wijze in Parijs tien journalisten en twee agenten doodgeschoten. Later vermoordde een ander in een Joodse supermarkt nog eens vier mensen.
Het islamistische geweld staat weer helemaal boven aan de agenda. 

Het is verschrikkelijk wat er is gebeurd en het is en was zaak zo snel mogelijk stelling te nemen tegen deze terreur. Toen het nieuws bekend werd was het Geert Wilders met z’n mislukte Mozartkop die het momentum direct begreep: ‘Het is oorlog,’ verklaarde hij zo’n beetje als eerste politicus op televisie. Rutte kwam met een schriftelijke verklaring. Gelukkig was er later ook burgemeester Aboutaleb van Rotterdam die in perfect Frans z’n solidariteit verwoordde.

Veel mensen, ook in Nederland, gingen de straat op om nadrukkelijk uitdrukking te geven aan hun verontwaardiging over deze afschuwelijke misdaad en door het schreeuwen van ‘Je suis Charlie’ solidariteit te betuigen met het vrije woord. Ik was er niet bij. Ik had andere dingen te doen, maar ook ga ik meestal niet naar dit soort manifestaties, omdat je nooit weet of je meegenomen wordt in een massa die dingen schreeuwt waar je later niet achter kunt staan.

Charlie Hebdo heb ik nooit gelezen omdat ik niet alle tijdschriften van de wereld kan lezen. In mijn studententijd had ik een abonnement op Propria Cures. Dat hoort als student. Gnuivend besprak ik met mijn buurman onder het genot van een glas bier de idiote stukken uit dit gediplomeerde afzijkblad, bijvoorbeeld over een neukende Beatrix die tegen Prins Claus (op een bijgevoegde tekening met hakenkruis) zegt dat ze geen zin heeft in Kroningsdag omdat haar schoenen knellen. Later hadden we Theo van Gogh die op diverse media anderen kankers en tumoren toewenste of ze naar de gaskamer verwees. Ik had een hekel aan Theo van Gogh. Toen ik hem een keer op het Leidseplein passeerde, rokend uiteraard, met zijn overhemd uit zijn broek en zijn dikke pens blubberend over de broekriem, wist ik het zeker: je bent een vieze, egocentrische klootzak.

Maar het is gevaarlijk om dit op te schrijven. Want nu ik dit opschrijf, voel ik meteen de dringende behoefte om plechtig te verklaren dat ik natuurlijk tegen het vermoorden van Theo van Gogh ben. Dat ben ik ook oprecht, maar waarom  moet ik dat meteen verklaren? Vanwege het veronderstelde verwijt te behoren tot het kamp van hen die vonden ‘dat-ie het er ook naar gemaakt had?’ Ik ben en was tegen het vermoorden van Theo van Gogh, tegen het vermoorden van de ijdeltuit Pim Fortuyn, maar ook tegen het wurgen van een meisje in Friesland, van wie iedereen ten onrechte vermoedde dat ze door een asielzoeker was vermoord. En ook ben ik tegen het doodschieten van een in het criminele circuit verdwaalde plaatsgenote, moeder van twee kinderen. Enzovoort.

Ze durfden het eigenlijk niet te zeggen, de paar gesluierde moslima’s die anoniem werden geïnterviewd op televisie, maar ze vonden wel dat de journalisten van Charlie Hebdo het er een beetje naar hadden gemaakt. Ze waren tegen het doodschieten, maar toch…
In een interview met de hoofdredacteur van Charlie Hebdo (‘Charb’), dat na zijn dood werd gepubliceerd, verklaarde hij dat hij niet voor een volkomen vrijheid van meningsuiting was zoals in de Verenigde Staten, waar je bijvoorbeeld ongebreideld overal en nergens je Nazi-ideeën kunt verkondigen. En waar er ook veel mensen zijn die vinden dat dat moet kunnen, ook al zijn ze het niet eens met de inhoud. Het is interessant dat ook ‘Charb’ vond dat er grenzen zijn aan de satire en de belediging. Hoe ver kun je gaan?

Zeker is dat het ‘Quod licet Iovi, non licet bovi’ hier volop van toepassing is. In mijn werk wordt ik regelmatig geconfronteerd met de zogenaamde ‘plaasmoorde’. Een plaas is het Afrikaanse woord voor boerderij. In Zuid-Afrika worden regelmatig blanke boeren op afgelegen boerderijen op beestachtige wijze om het leven gebracht. Vaak bestaat de buit van de roofmoordenaars uit niet meer dan een paar mobieltjes en wat kos uit de koelkast. Zoals een betrokkene ooit in de pers beweerde: ‘Waarom komen ze niet op zondagochtend, als we naar de kerk zijn? Ze weten dat we er dan niet zijn, en kunnen dan de boel leegroven. Maar dat doen ze niet, want er is ook haat in het spel.’ Opvallend is dat er in de pers en de media, voor zover er in Nederland over bericht wordt, omzichtig mee wordt omgegaan. Men is bang om begrip te kweken voor die oude, blanke gerefomeerde mensen die misschien ooit aanhangers waren van de Apartheid. ‘Er komen veel meer zwarte mensen om het leven dan blanke’, heet het dan. Rot op. Natuurlijk is het waar dat er in Zuid-Afrika veel meer zwarte mensen door geweld om het leven komen dan blanke. Dat is vreselijk en erg, maar doet niets af aan het verdriet en de ellende van de blanke boer. Alsof we tegen de nabestaanden van de vermoorde journalisten van Charlie Hebdo gaan verklaren dat het in Noord-Nigeria veel erger is, waar Boko Haram dit weekend tweeduizend mensen om het leven bracht.

Ik ben tegen het vermoorden van mensen. Maar ik ben ook tegen het opzettelijk beledigen van mensen, dat kan omslaan in haat, in pesten, in mensen in een hoek drijven. Het is al heel wat wanneer we elkaar de hersens niet inslaan. En een beetje aardig voor elkaar zijn. Na een paar duizend jaar beschaving is dat een saaie, maar vooral ook trieste conclusie. Je ne suis pas Charlie. Jeg er Utoya.

De eenzaamste mens

Plof. Mijn nichtje dacht nog dat iemand een matras van één van de hoogste verdiepingen van de studentenflat had gegooid, maar ik kon haar, vergezeld van het geluid van aanstormende politie- en ambulancesirenes, uit de droom helpen. Er had weer eens iemand zelfmoord gepleegd door naar beneden te springen. Gezien het feit dat er al gauw een laken over het lichaam werd gelegd en de boel werd afgezet, was al gauw duidelijk dat de persoon in kwestie dood was.

Het is iedere keer weer een schok wanneer iemand zelfmoord heeft gepleegd. Of het nu iemand uit de naaste omgeving is, of een beroemd acteur als Robin Williams, gevoelens van ongeloof en verdriet overheersen. Robin Williams! De man met de vriendelijkste mimiek ter wereld. De prachtige Mrs. Doubtfire, de aardigste leraar ter wereld uit ‘Dead poets society’ of de sympathieke arts uit ‘Awakenings’. Stuk voor stuk prachtfilms en zo’n fantastische acteur pleegt zelfmoord. Hoe is het mogelijk!

Specialisten op het gebied van zelfmoord haasten zich in het geval er weer eens uitleg moet worden gegeven dat zo’n vijftien procent van de Nederlanders aan vormen van depressiviteit lijdt en dat ernstige depressiviteit tot doodsverlangen kan leiden. Zelfmoord of een zelfmoordpoging is dus gewoon een resultaat van ziekte. Onzin natuurlijk, dat wil zeggen: het is gedeeltelijke onzin.

Natuurlijk is het zo dat de ene mens altijd een zonnige kijk op de werkelijkheid heeft en dat een ander het altijd somber inziet. Natuurlijk is het zo dat sommige mensen psychiatrische klachten hebben die zo ernstig zijn, dat het leven onleefbaar wordt. De persoon ervaart het leven als verschrikkelijk, iedere dag is een hel en dus ziet deze mens maar één mogelijkheid: eruit stappen.

Dat gezegd zijnde, is er natuurlijk veel meer aan de hand. De Franse socioloog Emile Durkheim was één van de eerste wetenschappers die zich met het verschijnsel zelfmoord bezighield. Eén van zijn conclusies was – we praten over eind 19e, begin 20e eeuw- dat zelfmoord in protestantse kring veel vaker voorkwam dan in katholieke kring. Durkheims voorzichtige conclusie was, dat dat kwam omdat een protestant een groter eigen verantwoordelijkheidsgevoel had of ervaarde, en dat een katholiek zich meer in een gemeenschap opgenomen voelde. De protestant, met zijn sterke rechtstreekse relatie tot God, was kortom eenzamer dan de katholiek. Durkheim signaleerde dus dat er maatschappelijke factoren waren die konden bijdragen aan een doodsverlangen.  

In de jaren ’70 van de vorige eeuw was het bon-ton om van alles de maatschappij de schuld te geven. Het kwam allemaal door de politiek. Of, zo werd beweerd, mensen werden geïndoctrineerd door kerk, staat en kapitaal. Ze waren geconditioneerd. Dat laatste wisten ze zelf nog niet maar met hulp van wetenschappers, kritiese leraren, buurthuismedewerkers en ander volk moesten vooral omstandigheden veranderd worden en meer bewustzijn gecreëerd. Alles zou goed komen. Een wereld van gelijkheid lag in het verschiet. Wie psychiatrische problemen had, hoorde eigenlijk niet in een inrichting plaats. Natuurlijk, hij of zij moest geholpen worden maar die pillen waren eigenlijk onzin. In een psychiatrische inrichting in  Den Dolder leefden patiënten en verplegers onder leiding van een zekere dokter Carel Muller als gelijken onder elkaar. Het werd er een puinhoop en de inrichting werd gesloten.

Nu leven we in een tijd waarin alles zo’n beetje aan jezelf te wijten is. Succes is de maatgevende factor en het hebben van succes is vooral het resultaat van eigen inzet. Werkloosheid – het kan iedereen overkomen maar als je werkloos blijft heb je eigenlijk niet goed je best gedaan. Schulden? Natuurlijk ligt dat aan jezelf. Had je maar niet meer moeten uitgeven dan er binnenkwam. Ziekte is natuurlijk een wat controversiëler onderwerp, maar ook hier ligt het toch ook aan jezelf. Nee, niet de ziekte zelf, dat is net zoiets als werkloosheid en kan iedereen overkomen. Waar het om gaat is dat ziekte een verschijnsel is dat overwonnen moet worden. Het gaat om de uitdaging. Legio zijn de verhalen over de gevechten tegen kanker en hoe de ziekte overwonnen werd. Tja, en als de ziekte toch echt terminaal blijkt, gaat het nog steeds om het gevecht. Je weet maar nooit of-ie toch niet overwonnen kan worden met wilskracht of bietensap.

Komen we weer terug op het onderwerp zelfmoord, dan gaat het vandaag de dag dus niet, of te weinig, over het feit dat iemand door externe factoren tot wanhoop kan worden gedreven. Laten we nog een stapje verder gaan. Kun je stellen, dat externe factoren mensen een dusdanig ellendig leven bezorgen of bezorgd hebben, dat er een keuze bestaat tussen de dood of een ellendig leven? Met andere woorden: een keuze voor de dood betekent geen zorgen meer.

In de meidagen van het jaar 1940, ten tijde van de inval van de Duitsers, was er slechts een handjevol mensen dat zelfmoord pleegde. Onder hen de schrijver Menno ter Braak. Ter Braak was een uitgesproken criticus van het nationaal-socialisme en hij kon dus gevoeglijk aannemen dat hij in een door de Duitsers bezet Nederland met grote problemen te maken zou krijgen. Hij koos dus voor het niet-hebben van grote problemen. Nog een stapje verder: stel nu eens dat veel joden in die dagen zelfmoord hadden gepleegd. Zouden ze – hoe morbide die vraag ook is – vanuit historisch perspectief gelijk hebben gehad? De keuze voor de dood zou de meesten van hen behoed hebben voor vervolging, uitbuiting, honger, ziekte en een ellendige dood in een concentratiekamp. Wat wij met de kennis van nu ook mogen beweren, de meeste joden wisten in de meidagen van 1940 echter nog niet precies welke ellende zij tegemoet zouden gaan. Maar stel nu eens dat zij dat wel wisten of voorvoelden, zou een massale zelfmoord dan gerechtvaardigd zijn? Natuurlijk, het nazisme bestrijden was de andere optie, maar als individu heb je niet altijd de keus, en ieder mens zit anders in elkaar. Zo heeft de één meer vechtlust dan de ander. Dat verklaart tevens waarom de één toch door wilde leven, en de ander zich tegen de omheining van het concentratiekamp met prikkeldraad van 220 volt wierp.

Terug naar 2014. Waarom zou iemand, met uitzondering van diegenen die al sinds hun jonge jaren ernstig last hebben van psychisch of lichamelijk lijden, zelfmoord willen plegen? Legio zijn de signalen van specialisten en wetenschappers die er op wijzen dat sociale en economische zekerheid wel degelijk een voorwaarde zijn voor een tamelijk gelukkig bestaan.

‘Bij mensen die onzeker zijn over hun inkomen, zorgt stress voor een minder goede werking van de frontale hersenschors,’ schrijft neurowetenschapper Jeroen van Baar in NRC Handelsblad van zaterdag 30 augustus. De Vlaamse psychotherapeut Paul Verhaeghe deed onderzoek naar ernstige depressies. Hij verwachtte veel verhalen over klassieke neurosen, maar hij constateerde: ‘Deze mensen hadden vooral klachten over dingen die te maken hadden met werk en economie. Mensen kampten met ernstige schulden, met werkloosheid, met overmatige stress, met enorme competitie in hun bedrijf.’(Tijd, bijlage bij Trouw, 7 juni 2014)

Maar, zoals eerder betoogd, succes is heden ten dage de maatgevende factor. Wie geen succes heeft, heeft dat vooral aan zichzelf te wijten. Sterker nog, we leven in een cultuur die vooral mensen die het minder hebben opjaagt en ze bij wijze van spreken een schuldgevoel geeft. Wie werkloos is en van een uitkering van het UWV gebruik maakt, moet vooral geen fouten maken. Een kennis van schrijver dezes, die een uitkering genoot, maar parttime ging werken, gaf braaf het aantal gewerkte uren op aan het UWV. Het totaal aantal gewerkte uren kwam overeen met het aantal gewerkte uren dat de werkgever had opgegeven. Echter, de dagen en tijdstippen klopten niet helemaal vanwege een misverstand. De vrouw kreeg een boete van 400 euro opgelegd, een brief met uitleg van de werkgever mocht niet baten. De schrijver van dit artikel kreeg ooit te maken met acute stopzetting van zijn uitkering omdat hij zo braaf was kleinere, onregelmatige inkomsten uit free-lance activiteiten op te geven. Slechts met de grootste moeite en via allerlei omwegen kon de uitkering weer worden hersteld. Het zijn slechts kleine voorbeelden van een stalinistische bureaucratie en of het nu om het UWV gaat, de belastingen of de administratie van een woningbouwvereniging, wie het even minder heeft moet oppassen dat hij of zij niet langzaam maar zeker wordt fijngemalen.

Vooral mensen die te goeder trouw zijn, het redelijk voor elkaar hadden maar in minder fortuinlijke omstandigheden terecht zijn gekomen, kunnen in een gevaarlijke spiraal naar beneden geraken. Natuurlijk zal de één psychisch méér kracht hebben dan de ander, maar het argument blijft overeind: externe factoren kunnen tot doodsverlangen leiden.

Blijft over de vraag wat daar aan is te doen.  Voor zover het de overheid betreft, zou die er door politici op gewezen moeten worden dat die negatief gezinde opjaagcultuur gestopt moet worden. Natuurlijk, wie een uitkering geniet mag gecontroleerd worden. Maar ga wel uit van het feit dat het overgrote deel van de mensen te goeder trouw is. En wanneer bijvoorbeeld woningbouwverenigingen mensen al direct op de hielen gaan zitten wanneer ze niet snel genoeg de huur betalen, mogen ze zichzelf ook de vraag stellen of ze wel snel genoeg zijn met het oplossen van problemen aan de woningen. Dat laatste is meestal niet het geval.
Nog een voorbeeld. De overheid probeert terecht het gevaar van terrorisme in te dammen. Tegen idioten die bommen willen gooien of aanslagen plegen moet de maatschappij beschermd worden. Maar om allerlei mensen, meest familieleden van verdachten, dan ook maar meteen een uitkering af te pakken, gaat te ver. Immers, wat is het perspectief van een niet-westerse allochtone jongere, die ziet dat zijn vader zich kapot werkt voor een inkomen van, pakweg, 1600 euro schoon in de maand? Ja, hij moet ook schoonmaker worden en zich koest houden, dat willen we. Maar dat hij dat zelf niet wil, is zeer verklaarbaar. Criminaliteit ligt op de loer, of, avontuur, een doel in het leven, houvast, de jihad. Waar is dan die coach of door de wol geverfde leraar die de jongere een vak leert en een perspectief biedt?

De overheid de schuld geven van de toename van het aantal zelfmoorden is natuurlijk onzin, maar diezelfde overheid zou wel wat kunnen doen aan opjaagculturen en stalinistische bureaucratieën (bijvoorbeeld die van het huidige UWV).  

Tot slot de belangrijkste vraag: wat kan het individu doen dat – bijvoorbeeld – terecht is gekomen in een negatieve spiraal van werkloosheid, schulden en depressiviteit? Vele suggesties zijn mogelijk, maar kernwoorden hier zijn toch acceptatie en aanpassing. Acceptatie van de situatie als zodanig, en niet zwelgen in een gevoel van  zelfmedelijden of de gedachte ‘waarom ik?’ Aanpassing is vervolgens het allerbelangrijkste. Wie zich aanpast aan de nieuwe, vaak ongunstiger situatie en de hoop niet opgeeft doet meer dan hij kan. Zo bezien is degene die z’n huis uit is gezet en op straat rondzwerft sterker dan degene die naar de bovenste verdieping van een flat gaat om daar vanaf te springen. Een beetje moed is er wel voor nodig om die laatste sprong te maken, maar dan is het ook afgelopen. En voor de zwerver geldt dat het misschien toch nog een keer goed komt, ook al ontbreekt het hem aan de (geestelijke) energie. Daar heeft hij dus wel hulp bij nodig.    

Moderne nutteloosheid

Na een prettig interview maakte de nuttige gedachte zich van mij meester dat mijn OV-chipcard opgeladen moest worden. Het zou de volgende dag reistijd schelen en zo begaf ik mij naar één van de oplaadmachines van het GVB in het Centraal Station. ‘Transactie akkoord’ viel er op het schermpje te lezen en er werd twintig euro van mijn bankrekening afgeschreven. Maar wat er ook gebeurde, het rode lichtje waarmee het apparaat kenbaar moest maken dat de OV-chipcard werd opgeladen, ging niet knipperen. ‘Kassa gesloten’ viel er nu op het andere, grote scherm te lezen. Ik was twintig euro kwijt maar mijn OV-chipcard was niet opgeladen. Ontredderd liep ik nog een beetje voor het apparaat heen en weer. M’n telefoon ging. Het was mijn zoon. ‘Papa, m’n beugel zit los,’ was de boodschap. Er viel niets anders op om dan maar naar huis te gaan, om een orthodontist te raadplegen en een claimformulier op internet in  te vullen. Na een busrit van een uur liep ik naar m’n woonhuis, waar vier mannen in oranje hesjes in mijn voortuin mijn pas ingezaaide afrikaantjes en goudsbloemen stonden te vertrappen. ‘Wat doet u hier en kunt u alstublieft uitkijken waar u loopt?’ vroeg ik geërgerd aan de lieden, van wie de nationaliteit het midden hield tussen Slowakije, Syldavië en Turkije. Het bleken werknemers te zijn van een onderaannemer van Reggefiber. Reggefiber legt in onze woonwijk, in opdracht van met name het ineenschrompelende KPN glasvezel aan en daar zit ik helemaal niet op te wachten. Ze zijn er tien jaar te laat mee en een huis, tuin en keukengezin heeft voldoende aan de Kabel. De Zuidoost – Europeanen hadden een enorm gat in de grond gegraven en waren op een loze, gele kabel gestoten. Dat moest gecontroleerd worden en de man die zich als teamleider voordeed, vroeg of hij in de kruipruimte van mijn woning mocht kijken. Dat mocht. Ik opende het luik en de man zakte naar beneden. Hij vloekte omdat z’n schoenen doorweekt raakten. Er lag namelijk een flinke laag water in de kruipruimte. Dat wist ik, en daar had ik de woningbouwvereniging al eens vaker van op de hoogte gesteld, maar, zoals bekend, doen woningbouwverenigingen tegenwoordig niet zoveel meer aan wonen. Oké, voor een klemmend deurtje willen ze nog wel eens langskomen, maar als het lastig wordt, geven ze niet thuis. Woningbouwverenigingen handelen in derivaten, schaffen nieuwe computersystemen aan die van de administratie een puinhoop maken, geven krantjes uit waarin staat dat de bewoners van Tutti Frutti-dorp nieuwe keukens hebben gekregen en hun directeuren openen –hoe actueel!-  anti-racistische manifestaties.
De teamleider kon niets vinden en de conclusie was dat de loze, gele kabel inderdaad een loze, gele kabel was die ooit bij de bouw van ons huis was achtergebleven. Nadat de heren weg waren gegaan en mijn tuin in ontredderde toestand hadden achtergelaten, met onder het raam een kleine onooglijke spriet die als een naakte staak zinloos omhoog stak, ging ik naar binnen. Weer ging mijn telefoon. Het bleek een mij hoger geplaatste in de ordening des levens die mij van een interessant feit op de hoogte wilde stellen. Interessant of niet, het betekende weer een hoop geregeld en gedoe want het feit noopte mij tot het maken van diverse lastige afspraken. Innerlijk gillend en gruwend zocht ik mijn bed op en trok de dekens over mijn hoofd. In een wereld waar apparaten staan die zomaar geld van je bankrekening afschrijven, waar beugels loslaten, zinloze kabels worden aangelegd, kruipruimtes niet droog worden gemaakt en ingewikkelde afspraken moeten worden gemaakt wilde ik niet leven. De slaap kon ik natuurlijk niet vatten. Ik pakte zinloos een boek van het stapeltje dat naast mijn bed stond. Het was Een ellendige nietsnut van Remco Campert. Godzijdank, ik was niet alleen en moest nu toch wel een beetje grinniken.    

In memoriam: Arthur Gotlieb

Het overkomt me niet vaak dat ik een krantenartikel even terzijde moest leggen, omdat het zo herkenbaar was en veel emoties opriep.

In de NRC van afgelopen zaterdag 12 april stond een artikel over Arthur Gotlieb. Arthur Gotlieb was een hardwerkende, conscientieuze medewerker bij de Nederlandse Zorg Autoriteit die langzaam maar zeker steeds meer werd tegengewerkt door het management. Op de één of andere manier paste hij niet in het plaatje, er moesten per slot van rekening mensen uit. Hoewel Arthur een uitstekende medewerker was, kreeg hij steeds meer te maken met tegenwerking en vervelende functioneringsgesprekken. Hij werd ernstig depressief en pleegde uiteindelijk zelfmoord.

Het verhaal van Arthur Gotlieb gaat niet uitsluitend over de NZA, maar over al die ontslagmachines die Nederland rijk is (de banken, KPN, bepaalde (semi-) overheidsinstanties). In hun gedrevenheid om grotere personeelsreducties tot een zichtbaar resultaat te brengen, maken (HR-)managers de fout dat zij hun observatievermogen ondergeschikt maken aan hun ijdelheid. De formele plannen met outplacement-trajecten, ontslagtrainingen, oprotpremies en overleggen met ondernemingsraden en vakbonden kunnen niet verhullen dat er naast het formele verhaal Machiavelliaanse machtsspelletjes worden gespeeld. Het gaat er voor de simpele medewerker om of hij dat spel kan meespelen of niet. Het formele verhaal, kennis van ontslagregelingen en procedures is belangrijk, maar nog belangrijker is op het juiste moment binnenlopen bij het management, kennis van werkelijke bedoelingen, halve en hele waarheden, de constatering of je wel of niet ´in het plaatje past´.

En dus mogen sommige mensen op onverklaarbare wijze blijven werken of krijgen een fantastische regeling aangeboden, anderen worden naar de uitgang geduwd of moeten maar oprotten. Het voert te ver om alle (HR-) managers van alles en nog wat te betichten, zeker is dat zij bewust of onbewust zaken accepteren die niet door de beugel kunnen, of er soms zelfs aan meewerken. Want het doel, de reorganisatie en het ontslag-target, heiligt vele middelen.

Specialisten uit de wereld van coaching en outplacement adviseren de verliezer (degene die met ontslag bedreigd wordt) dat hij of zij z’n verlies maar moet nemen en er een vette oprotpremie uit moet slepen. Maar daar zijn twee bezwaren tegen. In de eerste plaats zit de wereld niet te wachten op blanke mannen of vrouwen, vijftig-plus, die banen hadden als ‘ beleidsmedewerker’ of ‘ procesondersteuner’. Inmiddels is genoegzaam bekend dat je als oudere werkzoekende maar moeilijk aan de slag komt. Maar ook belangrijk is, dat het management in zijn jacht op het ontslag-target negeert, dat de meerderheid van de medewerkers uit loyale mensen bestaat, die gewoon hun werk willen doen. Op zijn minst willen ze gewaardeerd worden. Maar bijvoorbeeld opdrachten om meer negatieve beoordelingen uit te delen vergiftigen vaak de toch al gespannen verhoudingen.

Af en toe komen er signalen naar buiten, zoals de afschuwelijke suicide van Arthur Gotlieb, of, zoals een paar jaar geleden, een golf van suicidegevallen bij France Telecom (het is helaas een internationaal verhaal). Maar het meest onthutsende is, dat men binnen de bedrijven waar dit soort zaken speelt, zijn ogen sluit omdat iedereen voor z’n hachje vecht. Pas na het ontslag komen de verhalen naar buiten. Het is maar net aan welke kant je staat.  Voor wie binnen een bedrijf werkt waar de ontslagmachine in gang is gezet en zich afvraagt wat hij of zij nu moet doen, zou ik zeggen: lees ´Il Principe´ van Machiavelli. Of: ´Hoe word ik een rat´ van Joep Schrijvers. En verder alle ontslagprocedures bestuderen.

Een grappig taaltje

´Grappig taaltje hé,´ zegt de Nederlandse toerist in het voorbijgaan wanneer ik me na het ontbijt in een Kaapstads hotel verdiep in de zaterdagbijlage van Die Burger. ´t Is gewoon een táál hoor,´ antwoord ik enigszins knorrig terug. De toerist houdt vol: ´Nou ja, je zou toch kunnen zeggen dat Afrikaans een primitief soort Nederlands is.´ ´Net zo primitief als Nederlands, Duits, Frans en noem maar op,´ knor ik weer terug en de toerist druipt af.
Bij Nederlanders die voor het eerst geconfronteerd worden met Afrikaans overheersen indrukken als ´grappig´, ´leuk´, ´primitief´ en nog zo wat neerbuigende of minzame observaties. In een oppervlakkig en slordig geschreven geschiedenisboek over Zuid-Afrika door de Franse journalist Dominique Lapierre (aanbevolen door prinses Irene) beschrijft deze het Afrikaans ook als een primitieve taal. Hoezo Franse arrogantie, maar dit terzijde.

Kan de taal van gelauwerde dichters als Ingrid Jonker, Elisabeth Eybers en schrijvers als Etienne van Heerden, Coetzee, Breytenbach, Deon Meyer en noem maar op, de taal die door Adriaan van Dis de hemel in wordt geprezen, primitief zijn? Kan een taal überhaupt primitief zijn ? Natuurlijk geeft een vreemde taal in de oren van anderssprekenden een bepaalde indruk en dus vinden wij Duits gestructureerd en basaal, het Frans zangerig en kittig en is het Engels cool. Of dat laatste alleen maar vanwege de allesoverheersende aanwezigheid van het Engels in de wereld is, of dat Engels inderdaad intrinsiek een aantrekkingskracht heeft op anderssprekenden, is een vraag die ik hier niet beantwoorden kan.

Taal is de expressie van de ziel. Daarom is een moedertaal zo belangrijk, omdat je in je moedertaal kunt denken, voelen, zingen, ruziemaken en liefhebben. Probeer maar eens emotioneel en heetgebakerd ruzie te maken of gepassioneerd lief te hebben in een aangeleerde taal. Tien tegen één dat je niet altijd de juiste woorden kunt vinden, en dus teruggrijpt op woorden of uitdrukkingen uit je moedertaal. Ik spreek uit ervaring.

Maar wat nou zo fantastisch is, is dat taal een levend iets is en voortdurend in beweging. Sommige talen lijken op elkaar omdat ze in het verleden één waren. Ga je terug in het verleden dan concludeer je dat het Frans, Spaans en Italiaans uit het Latijn zijn ontstaan, en het Duits en Nederlands bijvoorbeeld uit een oervorm van het Germaans. Zo twijfel ik er niet aan dat er over honderd jaar twee, drie of vier soorten Engels worden gesproken: het Brits-Engels, het Amerikaans, het Australisch en nog zo wat vormen van Engels. In de aanbevolen talen voor Windows en andere computertoepassingen wordt al gevraagd of je voor het Brits-Engels of Amerikaans-Engels kiest. Maar het is natuurlijk een onmiskenbaar en zeer groot voordeel dat Amerikanen, Britten en Australiers hebben dat ze bijna all over the World meteen in hun moedertaal kunnen praten en alleen maar hier en daar wat kleine misverstanden zullen hebben. En die suffe Nederlanders? Ik kan u verzekeren dat het een verademing is om in Zuid-Afrika met journalisten, zakenmensen, wetenschappers en vrienden gewoon in het Nederlands en Afrikaans te converseren. Met hier en daar een misverstand, dat wel, maar dat hoort er gewoon bij.

Ooit was er eens een bedrijf, KPN.

Vorige week zag ik in het journaal een vermoeid ogende, afgematte man. Zijn naam was Eelco Blok, voorzitter van de Raad van Bestuur van KPN. Hij kondigde weer eens een flinke personeelsreductie aan. Ik kende Eelco Blok –ik heb immers jaren bij dat bedrijf gewerkt – als een intelligente, energieke technocraat, die in het Engels-koeterwaals dat in bedrijven als KPN gebezigd wordt (‘We gaan die case goed managen en dat is een opportunity voor onze business’) altijd zoiets uitstraalde als ‘we gaan er tegenaan’. Maar nu zag ik een oude man met ingevallen wangen die slaap tekort had. Nog droeviger was dat de aangekondigde personeelsreductie, altijd goed voor een flinke opwaartse waardering van de koerswaarde van een bedrijf, de koerswaarde dit keer niet of nauwelijks liet stijgen.

Soms vraag je je wel eens af: waarom doen we dit met z’n allen? Bijvoorbeeld altijd maar mensen ontslaan, want dat is goed voor de beurswaarde. Er zijn van die hardnekkige trends waar je maar niet van af komt, en als je later terugkijkt zeg je: gek toch dat we jaren voortmodderden en niet meteen een andere beslissing namen. Voorbeelden te over. Neem bijvoorbeeld in Nederland zoiets banaals als het formaat van kranten. Jarenlang hadden Nederlandse kranten het formaat van een groot zeil waar je je achter kon verschuilen. Het was super onhandig, zo’n enorme lap goedkoop bedrukt papier. Buiten de krant lezen was onmogelijk, want de wind nam je mee de lucht in. Tijdens trein- of busreizen werd heel wat afgekibbeld wanneer iemand een pagina wilde omslaan (wat meestal maar half lukte). De buurman kreeg al gauw onbedoeld een por of gestrekte vuistslag toegediend of het leek alsof iemand met gestrekte arm de Hitlergroet bracht. En toen, eindelijk, begon één krantenuitgever het formaat aan te passen. Gedeeltelijk, stel je voor, één deel in nieuw magazine-formaat en één deel nog in het ouderwetse grootformaat. Maar hoe voorzichtig ook: het was een heldendaad en nu weten we niet beter. En zo zijn er nog meer van die merkwaardige trends. Even na zessen nog naar de supermarkt: nu weten we niet beter, maar wat een ellende was het destijds voor werkenden om nog vlak voor sluitingstijd wat eten in te slaan. Jaren heeft het geduurd. Waarom? Omdat iedereen zei dat het zo moest. Totdat iemand het doorbrak en anderen volgden.

Eén van de trends van deze tijd is de belabberde service van grote bedrijven. Vraag in uw eigen omgeving eens rond, en tien tegen één dat vrijwel iedereen wel één of ander conflictje heeft met KPN, T-Mobile, NUON, de Belastingen, een abonnementenservice of internetprovider. Verkeerde aansluiting, onjuiste gegevens, automatische afschrijving die maar doorloopt: iedereen kan moeiteloos een voorbeeld geven. Het is een trend en al die internetproviders, telecom-aanbieders, energiebedrijven lijken op elkaar: als je ook maar iets wilt wijzigen of veranderen of opzeggen loop je een dikke kans dat het niet lukt. En wat is de oorzaak? Het Systeem. U belt, en na één van die vreselijke bandjes te hebben gehoord (‘Om u nog beter van dienst te zijn hoort u eerste een keuzemenu’), wordt u eindelijk te woord gestaan door Dennis of Chantal of Vivian die uw klacht of probleem in Het Systeem zet. En dat is nu net het probleem. Binnen Het Systeem wordt uw klacht weer doorgezet en daar gaat het mis: uw klacht wordt niet meer bewaakt en wordt soms wel eens opgelost, maar vaak ook verdwijnt-ie in Het Systeem. Dennis of Chantal of Vivian zijn allang naar huis.

Het is een trend van alle bedrijven (‘het is efficënt hoor, en de statistieken wijzen het uit’) en daarom is het lood om oud ijzer of je nu met T-Mobile belt of via KPN mailt. Arm KPN. Het is gewoon een bedrijf als alle anderen, en kwaliteit, een beetje nationale trots: het zal de consument worst wezen, behalve natuurlijk de prijs. En dan die andere trend: ontsla mensen en het stuwt de beurskoers omhoog. KPN, als één van de eerste bedrijven in Nederland dat van een log overheidsbedrijf de enorme omslag naar een efficient en concurrerend mediaconcern moest maken, lijkt patent te hebben op het ontslaan van werknemers. Sterker nog, topmensen uit de personeelsdienst, eh pardon, het HR-management natuurlijk, verkopen het kunstje nu bij de banken, één bij de Rabobank en de ander bij ING.

Is er nu werkelijk niets aan te doen? Misschien zou –bijvoorbeeld KPN- weer iets (meer) aan kwaliteit kunnen gaan doen. Door Dennis of Chantal of Vivian persoonlijk verantwoordelijk te maken voor uw probleem of klacht, en niet Het Systeem. En door Dennis of Chantal of Vivian niet meteen weer te ontslaan als het weer eens wat minder gaat, maar ze perspectief te bieden op een carrière (en deze niet alleen te reserveren voor academische toppers). Misschien zouden bedrijven als KPN de werknemers voor de keuze kunnen stellen: geen salarisopslag, maar wel baangarantie. Maar niets is zo moeilijk als het doorbreken van een trend. Voorlopig werd KPN vorig jaar gered door een stel oudere heren uit het bedrijfsleven, en niet door de overheid. En ook niet door de Raad van Bestuur van KPN. Het waren oudere heren die een Mexicaanse kapitalistische aandelengraaier wisten tegen te houden. Misschien wel omdat zij beseften dat er een trend doorbroken moest worden.

Nelson Mandela en Martin Luther King

Nelson Mandela, wereldheld, ikoon van de strijd tegen racisme en uitbuiting, is niet meer. Maar waarom was hij eigenlijk een held? De vraag stellen is hem beantwoorden, zal iedereen zeggen. ‘Iemand die zo lang gevangen zat voor een rechtvaardige strijd en niet verbitterd werd, maar na zijn vrijlating verzoening predikte, ja die is een held.’ Toch is dat niet helemaal waar. Want vergeten wordt dat geschiedenis een open proces is en dat veel helden in de anonimiteit van de geschiedenis verdwijnen. Waarom werd Nelson Mandela de onbetwiste leider van de strijd tegen de Apartheid in Zuid-Afrika, en niet Oliver Tambo? Of Walter Sisulu? Dat was lang niet altijd duidelijk. Het vliegveld bij Johannesburg, eerder genoemd naar de politicus Smuts, die kritisch was over de racistische politiek van de Boeren, gevierd generaal in de Eerste Wereldoorlog en belangrijk beïnvloeder van Winston Churchill aangaande voedseldroppings in bezet Nederland, heet nu ‘Oliver Tambo International Airport.’ Ook Walter Sisulu wordt niet vergeten. Maar toch. Nelson Mandela. Hij is een ikoon in Zuid-Afrika en een ikoon in de wereld. De verleiding is groot om hem met een andere held uit de wereldgeschiedenis te vergelijken, namelijk Martin Luther King.

De overeenkomsten zijn opvallend. Ook van Martin Luther King was aanvankelijk lang niet altijd duidelijk dat hij dé leider van de strijd tegen segregatie en racisme in de Verenigde Staten zou worden. King en Mandela groeiden op als leden van een grote onderdrukte groep waarvan de meerderheid geen of slecht onderwijs genoot. Maar King kwam uit een geslacht van Baptistische dominees en studeerde aan twee universiteiten. Mandela kwam uit een adellijk geslacht en, hoewel met een omweg, wist hij toch zijn rechtenstudie af te maken. Beiden waren grote charmeurs die graag goed gekleed gingen. Van Martin Luther King is bekend dat hij regelmatig amoureuze affaires had. Ondanks dat had hij een redelijk goed huwelijksleven, in tegenstelling tot Nelson Mandela, die van zijn eerste vrouw scheidde omdat hij teveel met ‘de strijd’ bezig was en omdat zij hem tot de Jehova’s Getuigen zou willen bekeren. Maar succes bij de vrouwen hadden beiden, iets wat Martin Luther King bijna fataal werd, nadat J.Edgar Hoover, de chef van de FBI, een bandje had laten opnemen van een sexueel avontuur en dat bij echtgenote Coretta King liet bezorgen.
Een ander opvallende overeenkomst is het retorisch talent. Martin Luther King zal de geschiedenis ingaan als de man die het ‘I have a dream’ uitsprak tijdens de legendarische toespraak in 1963. Ook Nelson Mandela wist zijn gehoor te betoveren met zijn toespraken. ‘I admire you’, sprak hij op het Amsterdamse Leidseplein, om de Nederlanders te bedanken voor hun aandeel in de Anti-Apartheidsstrijd. Applaus was overal zijn deel.
Een andere opvallende overeenkomst is het feit, dat zowel de strijd van King als Mandela lang niet altijd als radicaal genoeg werd ervaren door de achterban. King werd te gematigd gevonden en wel eens voor ‘Uncle Tom’ uitgescholden. De studenten van het SNCC (‘Snick’) vervreemdden langzaam maar zeker van de beweging en Stokely Carmichael begon de Black Panther-beweging. Nelson Mandela en het ANC hadden grote problemen met de discussie rond de vraag of Indiërs en blanken ook tot de beweging konden behoren en zo scheidden de zwart-nationalisten van het PAC (Pan African Congress) zich af van het ANC.
Zowel King als Mandela werden flink tegengewerkt en bedreigd met de dood. Martin Luther King zat regelmatig in de gevangenis, Mandela zat jarenlang op Robbeneiland. Zolang beiden nog niet de massale aandacht van de pers hadden, konden de overheden hun gang gaan. Maar toen duidelijk werd – en hier is weer een belangrijke overeenkomst – dat er rekening met de leiders gehouden moest worden, begon het tij enigszins te keren. Toen Martin Luther King weer eens gevangen zat, belde zijn vrouw Coretta naar het verkiezingsteam van presidentskandidaat John F. Kennedy. Toen Kennedy in de gaten kreeg dat Coretta aan de lijn was, zou hij iets gezegd hebben in de trant van: ‘Geef die vrouw maar aan de lijn, het kan ons wel goed uitkomen.’ Goed uitkomen – John F. Kennedy had zwarte stemmen nodig en dus wilde hij Martin Luther King wel steunen, om puur opportunistische redenen. Want hij moest voorzichtig handelen om de blanke racisten in het zuiden niet te schofferen, die per slot van rekening traditioneel ook altijd op de Democratische Partij stemden. Bij Mandela begon een vergelijkbaar proces pas later. Toen de blanken van de Nasionale Partij in de gaten kregen dat er geen houden meer aan was – de economische situatie, het immense protest van de zwarten, de internationale druk en de populariteit van Mandela – moesten ze wel in gesprek met de leider. Maar denk maar niet dat Mandela meteen toehapte. Hij gaf niet gemakkelijk toe en werd uiteindelijk onvoorwaardelijk vrijgelaten. Ook Martin Luther King liet zich niet van de wijs brengen. Zijn mening over de oorlog in Vietnam werd uitgelegd als propaganda voor het communisme en algemeen wordt aangenomen dat hij daarom werd vermoord.

De levens van King en Mandela stonden beide in het teken van een jarenlange, taaie strijd waarvan beslist niet duidelijk was dat die op een gegeven moment succes kon opleveren. Beiden beleefden wel eens momenten van wanhoop, maar op een gegeven moment zaten ze zo diep in de organisatie dat ze gewoon niet anders meer konden. En dus gingen ze verder en groeiden ze uit tot ikonen van de strijd tegen racisme en onderdrukking. Wat leverde het op? Veel, heel veel, alleen is het niet altijd tastbaar. Maar zonder King geen Obama. En, zoals Obama weer zei over Mandela: ‘Zijn vrijlating deed mij beseffen hoeveel mensen kunnen bereiken als ze putten uit hoop en niet uit angst.’

De makkelijke aanval op Zwarte Piet

Een Nederlander is bang datgene na te laten wat de ander doet. Die uitspraak is niet van mij, maar van de schrijver José Rentes de Carvalho. Ik ben het helemaal met die uitspraak eens. De Nederlander met z´n grote mond kijkt altijd eerst even snel om zich heen wat op dat moment de algemene trend is, en doet er dan niet één, maar zeer vele schepjes bovenop om heel erg verontwaardigd heel erg gelijk te krijgen. En dus was er geen land ter wereld dat in de jaren ´80 antiracistischer was dan wie dan ook, want tjonge jonge, wat waren  wij toch ontzettend tegen Apartheid. Van Appelscha Zuid tot Sluiskil Oost waren er wel Anti-Apartheid Comité’s en of het werkelijk geholpen heeft in de strijd tegen het inderdaad verfoeide systeem van Apartheid doet in deze discussie niet zoveel terzake; wij zaten Heel Erg Antiracistisch te wezen. De grote groepen asielzoekers moesten nog komen, witte en zwarte scholen bestonden nog nauwelijks, laat staan bijvoorbeeld de automatische reflex in Friesland om eerst naar een asielzoekerscentrum te wijzen bij de moord op Marianne Vaatstra.

Nog een voorbeeld. De dieren! Nederland heeft een Partij voor de Dieren! Hikkend van de pret vertellen diverse buitenlanders op feestjes – ik heb het meerdere keren meegemaakt – dat zij in een volgend leven na de dood als hond of kat in Nederland door het leven willen gaan: geen beter leven dan een honden- of kattenleven in Nederland. Ga maar na: ingewikkelde en lastige discussies over economisch of duurzaam verantwoorde landbouw en veeteelt, armoede onder mensen, asielzoekers, wel of niet een procentje meer of minder belasting: dat zijn allemaal vervelende politieke discussies. Maar hoe dan ook en het is iedereen geraaien ook: Wij Zijn Voor de Dieren!

Wat heeft dit nu met de discussie over Zwarte Piet te maken? Alles. Want de discussie over Zwarte Piet, als zijnde een olijk hulpje van de blanke Sinterklaas dat zwarten stigmatiseert, sluimert al jaren. Eind jaren ´60 was er al wel eens een discussieprogramma op de televisie te zien met een gekwetste Surinamer omdat hij was uitgemaakt voor Zwarte Piet.  En begin jaren ’90 liepen er Antilliaanse en Surinaamse jongeren door de straten met de leus: ‘Zwarte Piet, Zwart Verdriet.’ Het feit dat de discussie nu zo is opgelaaid, betekent dat het trendgevoelige Nederland er nu rijp voor is. De Nederlander van Surinaamse of Antilliaanse achtergrond is zo geìntegreerd in Nederland, dat hij of zij – althans diegene die de discussie over Zwarte Piet weer heeft aangezwengeld – een makkelijke discussie begint over zoiets duidelijks als het zwarte negerhulpje van de roomblanke Goedheiligman. Geen lastige discussies over de armoede op de Antillen, de moord op Helmin Wiels, corruptie, voor of tegen Bouterse, maar Zwart tegen Wit (of omgekeerd).

Hoe lossen we dit nu op? Heel simpel. Dit jaar vragen we niet of zo’n oubollige acteur als Bram van der Vlugt of z’n opvolger voor Sinterklaas speelt, maar Jürgen Raymann. Jürgen poedert z’n gezicht wit, of juist niet, en speelt voor Zwarte Bisschop met Witte Pieten of omgekeerd. Ik veronderstel dat Jürgen ook Spaans spreekt en daarmee is meteen een ander probleem opgelost. Veel kinderen met een spaanstalige achtergrond zijn en waren diep teleurgesteld dat zij, op de schoot bij de oude baas die immers uit Spanje kwam, niet in het spaans te woord werden gestaan. Daarmee vielen zij al vroeg van hun geloof af.

En die mevrouw Sheperd van de Verenigde Naties? Die heeft haar huiswerk niet gedaan. Laat ze eerst dat rare Halloween-feest maar eens veroordelen, met al dat enge gedoe dat veel tere kinderzieltjes de stuipen op het lijf jaagt. Nee, dan wij. Zwarte Piet heeft z’n roe allang weggedaan. Leve Sint en Piet!

Apartheid in Limburg

Zwaar gesluierde vrouwen die met hun kinderen op een paar meter afstand achter manlief aan komen sjokken, het was even wennen.  We bevonden ons hier niet in de één of andere Vogelaar-wijk in de Randstad, maar in een bungalowpark in het uiterste zuiden van ons land, met de onvermijdelijke Plaza in het centrum waar de lauwwarme dampen vanuit het overdekte zwembad je tegemoet walmen, en een poster je oproept om vooral de gezellige familieavond met Bollo de Beer niet te missen. De omgeving was prachtig en we hebben genoten, maar opvallend was het wel, al die grote groepen overduidelijk orthodox islamitische gasten uit het één of andere Arabische land. De begroetingsfolder uit de informatiemap van Landal Greenparks had ons al subtiel geïnformeerd. ‘Ons park kent aan parkgasten een variëteit aan nationaliteiten. Zo zijn er tijdens uw verblijf o.a. Nederlandse, Duitse, Belgische en Arabische mensen te gast. Elke nationaliteit heeft haar eigen gebruiken en gewoonten die per land van afkomst natuurlijk verschillen. We hopen dat iedereen een beetje rekening met elkaar houdt en begrip voor elkaar toont.’

De natuurgids met wie we een wandeling in de omgeving maakten, een echte Vaalsenaar die het park al jaren kende, gaf uitleg. Arabieren uit landen als Jordanië en Saoedi-Arabië – zelf wist hij het ook niet precies – kwamen één keer per jaar voor een uitgebreide check-up naar het grote en in binnen- en buitenland zeer goed bekend staande ziekenhuis in Aachen, de  Aachener Klinikum; het complex was vanaf de heuvels van het vakantiepark goed te zien. ‘Ze worden in een afgeschermd gedeelte van het park bij elkaar gehuisvest,’ vertelde hij, ‘en gaan dan af en toe in busjes naar Aachen. En ze maken er ook een beetje vakantie van.’ ‘Dat afgeschermd zijn was maar goed ook,’ ging de gepensioneerde mijnwerkerszoon verder, ‘want je wilt niet weten hoe de boel er uit ziet na die augustusmaand. En hoe het ruikt! Als ze weg zijn, hangt er in alle huisjes nog steeds een zware, zoete parfumlucht. Door het gebruik van lichaamsoliën zitten er overal vlekken op de muren en de meubelen. En als klap op de vuurpijl worden veel meubels domweg vernield. De kinderen dansen op de bedden of slaan de stoelen gewoon kapot. Na het verblijf van de Arabieren wordt de inventaris altijd gewoon helemaal vervangen. Ongelofelijk, maar waar. Maar ja, ze betalen meer dan het driedubbele voor hun verblijf dan wat u betaalt.’  

In hoeverre de details van het verhaal allemaal kloppen, weet ik niet, maar de kern zal wel enige waarheid bevatten. Rijke Arabieren willen een medische APK en kiezen voor Deutsche Gründlichkeit. Moet er ook nog even een verblijf geregeld worden en zo’n vakantiepark in de buurt is dan wat handig, kunnen de kinderen zich ook nog een beetje vermaken. ‘We betalen er goed voor en verder niet zeuren’.

Het bovenstaande leert ons twee dingen. Zij hebben geld. Zij, dat zijn Arabieren, dat is de Mexicaan Carlos Slim die KPN opkoopt, dat is het Indiase Tata Steel dat Hoogovens heeft opgekocht, zij, dat zijn de Chinezen die wijngaarden in Frankrijk en vastgoed in Engeland en noem maar op kopen. En als zij, dat wil zeggen de rijken uit landen waar het verschil in inkomen misschien groter is dan hier, bij ons willen investeren, dan zullen wij naar hen moeten luisteren. Want wie betaalt, bepaalt. We zullen dus hoe dan ook een toontje lager moeten zingen.

Maar ja, die Arabieren en de omgang met hun vrouwen hè, of die stinkendrijke Mexicaan die zo maar even de toekomst van ons oude, vertrouwde KPN bepaalt, moeten we dat nu allemaal maar toelaten? denken u en ik misschien stiekem een beetje. We hebben vanuit het westen, en zeker vanuit Nederland, lang genoeg betweterig met het opgeheven vingertje gezwaaid, en het is goed dat er aan die arrogantie een einde komt. Dat is wat anders dan je principes helemaal loslaten. De rechtsstaat die Nederland is, en die in het algemeen iets zegt over gelijke rechten voor vrouwen of zaken als corruptie verbiedt, zullen we recht overeind moeten houden. Tegelijkertijd moeten we accepteren dat wij het niet meer voor het zeggen hebben, al was het maar omdat de Mexicanen, de Arabieren, de Chinezen, de Zuid-Afrikanen en de Brazilianen ook (en veel!) geld hebben. Dan is de oplossing van een fluïde en tijdelijke, niet-officiële en nieuwe vorm van bescheiden Apartheid zoals in Vaals zo gek nog niet. Zij daar, wij hier, en op de Plaza kom je elkaar tegen en drinken we een kop koffie.