BEGONNEN ALLE PROBLEMEN MET VAN RIEBEECK?

Een review

Alle problemen begonnen met Van Riebeeck.’ Onder deze titel heeft voormalig Trouw- en FD-correspondent Niels Posthumus een boek geschreven dat als journalistieke queeste door Zuid-Afrika kan worden beschouwd. Nogal aanmatigend heeft de journalist er als ondertitel aan toegevoegd ‘Wat Nederlanders niet weten over hun rol in Zuid-Afrika;’ dus ik was benieuwd wat ik (nog) niet zou weten toen ik aan het boek begon.

Om te beginnen een welgemeend compliment aan zowel schrijver als uitgever. Legio zijn de boeken en boekjes van oud correspondenten die, min of meer vanwege de bekendheid die de correspondent in een afgelopen periode heeft opgebouwd, worden uitgespuugd. Uitgespuugd zeg ik met name, want het wemelt van de boekjes van oud correspondenten die nog even voordat zij ‘hun’ land verlaten gauw iets in elkaar flansen. Op vrijdagavond beginnen met het bij elkaar harken van wat oude artikelen, verbindende tekst, toeristische tips of wat recepten erbij en voilá: op maandagochtend zijn we klaar. Of met een fles wodka naast de laptop even alle bloedstollende avonturen en herinneringen en woeste meningen uithoesten: alstublieft uitgever, hier is mijn pamflet.

Zo niet het boek van Posthumus. Geen opgewarmde prak maar een oprechte journalistieke zoektocht waarbij hij dwars door Zuid-Afrika reist en de nodige literatuur bestudeert en bestudeerde. De titel van het boek ontleende Posthumus aan een uitspraak van voormalig president Zuma, die tijdens een toespraak voor het parlement de uitspraak deed dat ‘alle ellende in Zuid-Afrika was begonnen met (de komst van) Jan van Riebeeck’. Van Riebeeck moest in opdracht van de VOC een verversingsstation aan de Kaap opzetten en hij begon daarmee in 1652. Vanwege de latere geschiedenis van Zuid-Afrika, met de komst van vele Nederlanders die bij wijze van spreken de Statenbijbel onder hun arm meenamen, en hun latere ontwikkeling tot fanatieke verdedigers van de Apartheid , zou je een rechtstreekse lijn kunnen veronderstellen tussen de komst van Van Riebeeck en het Zuid-Afrika van de Apartheid. Iedere historicus zal hier vraagtekens bij zetten. In de eerste plaats: is de uitspraak van Zuma niet een tamelijk goedkope manier om de aandacht af te leiden van de actuele problemen die Zuid-Afrika teisteren en zelf geen verantwoordelijkheid te nemen? Als het om corruptie gaat in Afrika is Jacob Zuma een goede kandidaat om ergens in de top tien te belanden, na mevrouw Dos Santos uit Angola of de vele Nigeriaanse leiders die met koffers vol diamanten het land tracht(t)en te verlaten. In de tweede plaats is, zeker in het geval van Zuid-Afrika, of Afrika in het algemeen, journalistieke onafhankelijkheid vrijwel onmogelijk. Neem bijvoorbeeld de huidige discussie in Nederland over slavenhandel en slavernij: was de slavenhandel, hoe verschrikkelijk ook, economisch gezien niet gewoon een relatief klein verschijnsel waarvan de impact niet overtrokken moet worden (Piet Emmer), of heeft de slavenhandel, zeker in de tweede helft van de achttiende eeuw, wel degelijk bijgedragen aan de economische bloei van Amsterdam, zoals de laatste inzichten ons doen geloven? En in de laatste plaats: moet de hele geschiedenis van Zuid-Afrika niet ook gezien worden in het licht van de geschiedenis van het kolonialisme?

Ja: ook de Engelsen, met hun concentratiekampen voor Mau Mau strijders bijvoorbeeld aan het einde van de jaren ’50 in Kenya konden er wat van, of de Fransen, of de Portugezen, die als heel arm land in een uithoek van Europa eeuwenlang nauwelijks investeerden in hun kolonies maar het wel tot een gruwelijke oorlog lieten komen, om vervolgens halsoverkop te vertrekken. Bijverschijnsel: dat vertrek van de Portugezen in 1975 had tot gevolg dat de inwoners van Maputo en Luanda jarenlang nauwelijks aan hun nachtrust toekwamen vanwege het enorme aantal blaffende zwerfhonden; voormalige huisdieren die de oud-kolonialen vlak voor hun vertrek maar gewoon op straat hadden losgelaten.
Nee: de geschiedenis van Zuid-Afrika is uniek vanwege de permanente aanwezigheid van een grote witte minderheid en de periode van de Apartheid duurde nog lang voort nadat alle andere Afrikaanse landen allang onafhankelijk waren. Derhalve rechtvaardigt het om een lijn te trekken tussen de komst van Van Riebeeck en de problemen die Zuid-Afrika heden ten dage teisteren.

In zijn boek neigt Posthumus naar de laatste argumentering en vooral de rol van de Nederlandse kolonisten daarbij, die in de loop der eeuwen niet meer Nederlands gingen spreken maar Afrikaans, en bekend staan als Afrikaners. Dat de ontwikkeling van de Apartheid voor een groot deel te danken is aan de afstammelingen van de Nederlandse kolonisten, leidt geen twijfel. Voor zover het de ‘grote’ Apartheid betrof, dus de kwestie waarbij, kort samengevat, het meeste land onttrokken werd aan de oorspronkelijke bewoners en toegewezen aan witte boeren, en slechts tien procent werd gedefinieerd als ‘zwart reservaat’ deden de Engelsen echter van harte mee. Overal staat deze gebeurtenis bekend als ‘the Natives Land Act of 1913’, Posthumus spreekt steeds over ‘de Wet op de Naturellengrond.’ Voortdurend wordt de schrijver heen en weer geslingerd tussen enerzijds zijn oprechte bedoeling om objectieve journalistiek te bedrijven, anderzijds neigt hij steeds naar een zekere vooringenomenheid. Dat geeft hij ook later in het boek toe: ‘Als ik steeds opnieuw krampachtig probeer afstand tussen mij en het Afrikaner volk te scheppen, bewijst dat toch eigenlijk vooral dat die afstand in werkelijkheid een stuk minder groot is dan dat ik wens?’ Want wie is dan die Afrikaner? De diehard Afrikaner, de racist die vindt dat het witte Afrikaner volk een missie te vervullen heeft, bestaat nog wel maar de vraag is hoe groot die groep is en of die nog invloed heeft. Opmerkelijk is bijvoorbeeld dat de Nederduits Gereformeerde Kerk, lange tijd de steunpilaar van het Apartheidsregime, net als de kerken in Nederland, een enorme leegloop kent. Dat alleen noemen zou de kerk tekort doen, want ook binnen de huidige NG kerk vindt veel discussie plaats en ook daarvan doet Posthumus verslag door een (vrouwelijke) dominee te interviewen.

Een hele grote groep van zeker meer dan een miljoen witte Zuid-Afrikanen – Afrikaans èn Engelstalig – heeft inmiddels de uitwijk genomen naar Australië – en in mindere mate naar Nieuw-Zeeland. Reden: het geweld in Zuid-Afrika. Zou je je kinderen daar nog wel willen laten opgroeien? Het is interessant om te onderzoeken waarom Nederland niet zo populair is onder de rijke vluchtelingen – dat wil zeggen, zij die het kunnen betalen om te emigreren, want inmiddels zijn er ook grote groepen straatarme witte Zuid-Afrikanen. Ze wonen in  sloppenwijken en waren postbodes, conducteurs of lagere ambtenaren en kregen van de ene op de andere dag te horen dat een zwarte landgenoot hun plaats in moest nemen. Pikant detail: ook Sisonke Msimang, belangrijk criticus die Posthumus interviewt en die een indrukwekkende speech heeft gehouden tijdens de Mandela-lezing in Amsterdam in 2020, is ook in Australië gaan wonen vanwege de veiligheid van haar kinderen – maar dat laatste  vertelt de schrijver er niet bij.

Alle problemen begonnen met Van Riebeeck is een boek dat meer vragen oproept dan dat het beantwoordt, en dat is goed, want alle thema’s die Posthumus aansnijdt, raken ook aan Nederlandse problemen. Per slot van rekening zijn het de politici van extreem rechts in Nederland (Baudet, Wilders, Bosma) die steeds maar de riedel blank-afrikaans-bedreigd (Let op Nederland!) verkondigen en die riedel is in zijn absoluutheid een leugen. Jammer is derhalve dat Posthumus weinig tot geen aandacht besteedt aan datgene wat ons het meeste verbindt en voorlopig nog zal verbinden: de taal, het Afrikaans. Inmiddels hebben talloze Nederlanders ontdekt dat het Afrikaans geenszins (meer) de taal is van de Apartheid, net zo min als het Duits nog de taal is van Hitler. Schrijvers als Adriaan van Dis, Arnon Grunberg, Stefan Hertmans, Bennie Lindelauf, Mira Feticu en nog vele anderen reisden en toerden met genoegen door Zuid-Afrika en omgekeerd reisden vele Zuid-Afrikaanse schrijvers naar Nederland en Vlaanderen. Zuid-Afrikaanse schrijvers als Elisabeth Eybers, Antjie Krog en Alfred Schaffer wonnen prestigieuze Nederlandse literaire prijzen. De discussie over de positie van het Afrikaans laat ik hier gemakshalve maar even zitten, want dan zijn we weer ellenlange bladzijden verder. En dan zijn er nog de kleine onvolkomenheden die je zo hier en daar in het boek opmerkt: Kruger verbleef het grootste deel van zijn verblijf in Nederland in Utrecht aan de Maliebaan, niet in Hilversum. Waarom zoveel aandacht voor Hertzog, terwijl de grootheden der Apartheid toch echt Malan en Verwoerd heetten? Waarom kozen Nederlanders in de jaren ’50, ondanks het feit dat toen Zuid-Afrika als een soort broederland werd gezien (Premier Drees en Prins Bernhard gingen er op bezoek, Smuts kreeg een eredoctoraat in Leiden) toch massaal voor Canada en Australië wanneer ze wilden emigreren?

Tot slot: ach, die Van Riebeeck. En wat moeten we nou toch met de Van Riebeeckpenning? Die bestaat, al jarenlang, en wordt uitgereikt aan diegene in Nederland die zich bijzonder verdienstelijk heeft gemaakt voor de (culturele) banden tussen Nederland en Zuid-Afrika. Het zijn niet de minste BN’ers die deze prijs hebben ontvangen, maar of ze er heden ten dage gelukkig mee zouden zijn? Ook weer zoiets. In ieder geval, lees het boek van Niels Posthumus. Voer voor een interessante discussie.

09082021

Corruptie

Loeiend kwamen ze het vergaderkamertje uit.
‘Had je die tieten gezien? Volgens mij had ze dat bloesje met opzet aangetrokken. En dan het bovenste knoopje toevallig open laten hè, maar niet heus.’
Jan Geytenbeek floot. ‘Die Lily toch, een speciale managementaanbieding! Had jij daar wel eens van gehoord?’
‘Tja, het klonk allemaal erg geloofwaardig,’ reageerde Leen Gaastra, de secretaris, ‘en het is natuurlijk inderdaad wel zo dat wij als ondernemingsraad het initiatief hebben genomen.’
Willem, de communicatieman, kwam z’n kamer uit om eens te horen wat er allemaal aan de hand was, want het was nogal een vrolijke boel. De ondernemingsraad had met de CEO van het bedrijf misschien wel een jaar lang gepraat over het feit dat het niet altijd representatief was wanneer een monteur bij een klant langsging met verouderde apparatuur. Of wanneer de familie, privé, eens informeerde: wat heb jij daar nu staan? En dat het dan allemaal oude meuk was. Nee, je vormde toch eigenlijk een soort van kopgroep van dit technische bedrijf? Dan moesten werknemers toch met het nieuwste van het nieuwste werken? En moest er thuis toch ook gepronkt kunnen worden?
En zo was de deal ontstaan. Alle werknemers konden via de bedrijfssite videorecorders, filmcamera’s, mobiele telefoons en nog zo wat zaken van de Aziatische leverancier tegen sterk gereduceerde prijzen bestellen. Alles werd keurig thuis bezorgd en het werd een groot succes. En omdat het de ondernemingsraad was die dit alles op gang had gebracht, wilde mevrouw Lily ter Neuzen, de accountmanager van de leverancier, nog een keer met de heren – dames waren nu eenmaal afwezig – praten om ze te bedanken.
Jan Geytenbeek was er als de kippen bij. Hij was reeds vice-voorzitter en het was bekend dat hij op de rol van voorzitter aasde. Omdat Kees den Ouden, de voorzitter, er dit keer niet bij kon zijn, zou hij deze informele bijeenkomst voorzitten.
‘Het was blijkbaar gezellig?’ informeerde Willem. ‘Ja man, dit wordt prachtig,’ zei Jan, wiens hoofd nog meer leek te gaan gloeien. Als rondborstige Brabander was hij al een beetje gezet en bij de jaarlijkse driedaagse heisessie was hij altijd de eerste die het worstjes draaien op de barbecue voor zijn rekening nam. ‘Ze heeft een speciaal managementaanbod gedaan,’ sprak hij glunderend, ‘en dat betekent dat wij van de ondernemingsraad een nog grotere korting krijgen dan wat er al op de site staat.’
‘O,’ zei Willem, ‘dan wil ik er ook wel eens over nadenken.’
‘Maak maar een lijstje, en zet erbij wat je ongeveer denkt te willen uitgeven,’ riep Jan, terwijl hij ‘das war Lily Marleen’ zingend z’n kamer binnenging en achter de computer plaatsnam.

Twee weken later was er echter nog niet veel nieuws. Jan Geytenbeek was chagrijnig. ‘Dat mens heeft nog steeds niks van zich laten horen. Ik ga haar bellen. Trouwens, wat had jij ook alweer besteld?’ Willem gaf hem het lijstje, ging z’n kamer in en brak zich het hoofd over het zoveelste zouteloze artikel voor z’n krantje. Vijf landelijke afdelingen AC (AansluitingsControle) moesten worden opgeheven, de 65 medewerkers verloren hun baan maar mochten wel solliciteren naar de twintig nieuwe functies van High End Solutions Engineer. Allemaal humbug om voor de zoveelste keer mensen weg te spoelen. De  betreffende onderdeelcommissie moest nog een advies uitbrengen.
‘Daar gaan we niet mee akkoord,’ hoorde hij opeens in de kamer naast zich, en na een onverstaanbare grom volgde ‘daar kan toch nog wel wat van af?’ Het was Jan Geytenbeek, die luttele minuten later met een flinke dreun de kamerdeur achter zich dicht trok en woest de gang uit liep richting parkeergarage.
Ook daarna was het een week stil. Gerommel was er wel in de ondernemingsraad. Naast Jan Geytenbeek had zich nu op de valreep ook Dolf Hooimijt gemeld als mogelijke opvolger van Kees den Ouden als voorzitter. Opmerkelijk was dat wel, want hij was nog maar twee maanden lid. Op de tweewekelijkse vergadering in Amersfoort zouden beiden, Geytenbeek en Hooimijt, zich officieel kandidaat stellen en een praatje houden. Na de pauze kon dan de verkiezing plaatsvinden.

Jan Geytenbeek had zich degelijk voorbereid en hield een Powerpoint-presentatie. Toch was-ie zenuwachtig en echt lekker liep het niet. Hij vertelde dat-ie uitgebreide sales-ervaring had binnen het bedrijf, voorzitter was van de lokale dorpsraad van Sint-Geertensbergen, dus over de nodige bestuurservaring beschikte en daarna volgden nog enige wapenfeiten, zoals het terugdraaien door het management van een besluit tot sluiting van een regionaal magazijn –  met dank aan de onderdeelcommissie van Jan Geytenbeek.
Daarna was het de beurt aan Dolf Hooimijt. Laconiek en onderuitgezakt hield hij een praatje van niks – hij ging niet eens staan. Het viel wel erg op dat-ie zich nauwelijks had voorbereid en Willem kon zich achteraf niet eens herinneren wat voor wapenfeiten hij noemde, wat zonder meer raar was. Hij had meerdere verkiezingen meegemaakt en dan probeerde de kandidaat-voorzitter zich altijd van z’n beste kant te laten zien: fanatiek voetballer en nu bestuurder van VVV Bergwespum e.o. of gemeenteraadslid namens de PvdA of Het Lokaal Belang, enzovoort. Er werd wel hier en daar een beetje scheef opzij gekeken door de andere leden, maar toen er geen vragen waren was het tijd voor de koffiepauze. De mobiele telefoon van Willem ging. Het was een onbekend nummer dus nam hij maar op.
‘Montis.’
‘Met Stef Hemelrijk van Interne Diensten uit Groningen…’
‘Huh, pardon, ik weet niet precies…’
‘Nee, u kent mij niet maar wij moeten eens even met elkaar rond de tafel gaan zitten.’
‘Hoezo, rond de tafel gaan zitten? Ik begrijp niet waar u het over heeft.’
‘Er zijn onregelmatigheden geconstateerd en daarom hebben wij opdracht gekregen één en ander uit te zoeken.’
‘Ik weet niet of ik daarbij betrokken ben.’
‘Dat maken wij wel uit. U bent verplicht om aan het gesprek deel te nemen. Wij komen morgen naar Den Haag en wij verwachten u om elf uur in kamer A2-615 van het hoofdgebouw. Nog vragen?
‘Eh…’

Verward liep Willem de gang op, richting toiletten en botste bijna tegen Leen Gaastra op. ‘Ik kreeg daarnet een raar telefoontje van Interne Diensten uit Groningen, weet jij daar meer van?’
‘Ik moet morgen ook opdraven,’ sprak Leen bedrukt, ‘om tien uur. Ik denk dat het met die deal van mevrouw Ter Neuzen te maken heeft. En ik denk dat Jan Geytenbeek ook moet verschijnen, hij klonk wel erg zenuwachtig hè? Trouwens, ik heb mijn bestelling meteen maar ingetrokken.’
‘Oei, je hebt gelijk,’ antwoordde Willem, ‘dan moet ik dat ook maar doen.’ Maar hij kreeg geen gelegenheid om dat bij Jan Geytenbeek aan te geven want die was in geen velden of wegen te bekennen. Na de koffiepauze, die eigenlijk meer rookpauze was want de gang stond  helemaal blauw, ging iedereen weer aan tafel zitten; Jan Geytenbeek kwam als laatste hijgend binnen. Kees den Ouden nam het woord. Hij verzocht ieder lid van de ondernemingsraad – Willem was als ondersteunend medewerker uitgesloten van deelname – de naam van de favoriete kandidaat op een papiertje te schrijven, dat dicht te vouwen en bij hem in te leveren. Nadat iedereen het papiertje had ingeleverd telde de voorzitter de papiertjes, controleerde of het aantal overeen kwam met het aantal aanwezige stemgerechtigde leden en begon de papiertjes open te vouwen en voor te lezen.
‘Hooimijt.’
‘Hooimijt.’
‘Hooimijt.’
‘Geytenbeek.’
‘Hooimijt.’
Het gezicht van Jan Geytenbeek verstrakte. Op het gezicht van Dolf Hooimijt was een grijns te zien. Na alle papiertjes te hebben opengevouwen concludeerde Kees den Ouden dat er twee stemmen waren uitgebracht op Jan Geytenbeek en acht op Dolf Hooimijt. Dat betekende dus dat de nieuwe voorzitter van de ondernemingsraad van Koninklijke Installaties Nederland  Dolf Hooimijt was.
‘Ik feliciteer Dolf hiermee…’
Jan Geytenbeek stond op.
‘Hoe kan dat nu? Jullie kennen me toch? Ik zit al jaren in deze ondernemingsraad, komt er opeens out of the blue sky een nieuw iemand binnenwaaien en die moet dan plotseling voorzitter worden? Hier zit meer achter…’
‘Rustig Jan,’ maande Kees met een armgebaar.
‘Ik geloof hier geen barst van,’ sprak Jan Geytenbeek met overslaande stem en richtte zich tot Dolf Hooimijt.
‘Jij bent hier koud twee maanden en dan word je meteen voorzitter?!’
‘Tja,’ sprak Dolf Hooimijt zelfvoldaan, ‘ik kan niet ontkennen dat ik enig voorwerk heb verricht en lobbyen hoort daarbij.’
‘Godverdomme, ik heb dus gewoon voor niks m’n best gedaan. Doorgestoken kaart, dat is het. Klootzakken zijn jullie.’
‘Rustig nou,’ sprak Kees den Ouden en stond op om achter de verliezer aan te lopen die verongelijkt de kamer uit beende.
Er ontstond geroezemoes. ‘Het is wel een vertoning zo,’ zei Willem tegen Leen Gaastra die naast hem zat. Op wie heb jij gestemd, als ik vragen mag?’
‘Op Hooimijt,’ fluisterde hij. ‘Een beetje gelijk heeft Geytenbeek natuurlijk wel. Hooimijt heeft iedereen gebeld vantevoren om te lobbyen en ik moest ook twijfelen, maar het is natuurlijk wel zo dat Geytenbeek wat opvliegend is en Hooimijt ligt goed bij het management.’
Kees den Ouden kwam terug en zei dat Jan Geytenbeek naar huis was gegaan. Hij bevestigde formeel voor de notulen dat Dolf Hooimijt de nieuwe voorzitter was en gaf daarna het woord aan de nieuwe voorzitter. Wat hij zei kon Willem zich later niet meer herinneren, in verwarring als hij was over de rare vertoning die dag en de gemengde gevoelens over wat de volgende dag hem zou brengen.

De volgende dag, een dinsdag, zat hij tegenover twee heren uit Groningen. Een atletisch type met kortgetrimd haar, type politieagent die voor een rustiger baan had gekozen, en meneer Hemelrijk, type onbetrouwbare ouderling.
Dit soort klusjes hadden ze vaker gedaan. De voormalig politieagent (wat hij inderdaad was) vuurde de vragen af, en daarna begon Hemelrijk een beetje te zalven en te zeuren, in de hoop om belangrijke gegevens los te weken.
Het ging inderdaad om de deal van mevrouw Ter Neuzen. Zo’n deal als er was met het bedrijf, daar had iedereen zich aan te houden en dan moest je niet om nog meer korting gaan vragen. Het had schade toegebracht aan de verhouding tussen Koninklijke Installaties Nederland en het Aziatische bedrijf.
‘U heeft een lijstje ingediend en om meer korting gevraagd.’
‘Als ik een winkel binnenga en vraag of er nog wat van de prijs af kan, dan is dat geen misdaad. Het is aan de winkeleigenaar om te beslissen,’ repliceerde Willem.
Het was de heren al snel duidelijk dat Willem geen grote vis was en ondanks het gezuig van Hemelrijk kon hij na drie kwartier het zaaltje verlaten.

Terug op de gang van de ondernemingsraad liep hij Leen Gaastra weer tegen het lijf. Ook hij dacht dat het wel met een sisser zou aflopen. Maar hij was bang voor Jan Geytenbeek. Het ging er namelijk om dat het Aziatische bedrijf geklaagd had dat mevrouw Ter Neuzen zich onder druk gezet had gevoeld door Geytenbeek, en dus door de ondernemingsraad.
‘De omgekeerde wereld,’ antwoordde Willem, ‘ze is er zelf mee begonnen.’
Maar een week later belde de baas van Human Relations alle betrokkenen op en gaf iedereen, heel flink, een officiële waarschuwing, die ook in het personeelsdossier terecht zou komen. Jan Geytenbeek werd ontslagen. Twee weken later posteerde Dolf Hooimijt zich in de kamer naast Willem en ging flink te keer. Alle attributen, zoals een oude lamp en een poster van de vakbond gingen resoluut de prullenbak in. Er was nog wel een kleinigheid. Ook de formele functie van Hooimijt, senior technisch adviseur, was komen te vervallen. Zijn hele afdeling werd opgeheven. Grotere technische vraagstukken zouden voortaan projectmatig worden behandeld en aangevraagd bij een universiteit. Tja, dat was nou jammer als hij ontslagen werd want Hooimijt moest nog maar vier jaar tot aan zijn pensioen. En dus moest de ondernemingsraad ook weer snel op zoek naar een andere voorzitter, zo wist hij de baas van Human Relations fijntjes te vertellen. Maar dat was geen probleem. Dolf Hooimijt kreeg een nieuwe functie als ‘algemeen adviseur’ en bleef voorzitter van de ondernemingsraad. Het was wel in strijd met de wet op de ondernemingsraden, maar ach, een kniesoor die daar op lette. Een paar maanden later vertrok de baas van Human Relations naar een bank.

(Disclaimer: beschreven situaties en personen bestaan in de verbeelding van de schrijver. Overeenkomsten met de werkelijkheid berusten op toeval)

20072021

Uitgepreekt

Arbeidsconflicten horen net zo bij het leven als blaren bij de vierdaagse en een kapotte duim bij een klusje in huis. Legioenen advocaten leven er van en het is nog altijd één van de redenen om, uit voorzorg, lid te worden van een vakbond. Toch zou je arbeidsconflicten minder verwachten in kerkelijke kring, misschien omdat het verwachtingspatroon is dat men in kerkelijke kring wat aardiger voor elkaar zou zijn. Een illusie, helaas. Sterker, arbeidsconflicten zijn in kerkelijke kring vaak heviger omdat ze langer voortwoekeren. In het programma ‘Uitgepreekt’ kwam onlangs predikant Gerard Rinsma aan het woord, die na een ogenschijnlijk klein verschil van mening met zijn kerkenraad in Workum in een gruwelijke loopgravenoorlog terecht kwam (EO, dinsdag 29 juni). Zoals zo vaak werd het een proces waarbij op een gegeven moment stellingen werden betrokken, advocaten werden aangesteld, rapporten werden geschreven en gemeenteleden elkaar de tent uitvochten. Ja, Gerard werd beschadigd en zoals zo vaak in dit soort situaties werd de psychologische truc uit de kast gehaald om de persoon in kwestie ‘kalt te stellen.’  De interviewster, Margje Fixse refereerde er in het programma aan met de vraag ‘ dat hij toch ook wel eens eerder een conflict had gehad?’ Met andere woorden: was Gerard niet gewoon een moeilijke man? De interviewster zal deze vraag uit journalistiek oogpunt hebben gesteld (hoor en wederhoor), maar in dit soort situaties heeft het een hoog ‘Omtzigt’ gehalte. Pieter Omtzigt heeft een kankergezwel in de Nederlandse samenleving naar boven gehaald, en omdat dat veel gedoe gaf, met name in het CDA, moest hij kalt gestellt worden door hem een ‘functie elders’ aan te bieden. En toen dat niet lukte, tja dan ga je hem toch als overspannen en zieke man beschrijven?  Klus geklaard. Een gotspe natuurlijk en het is dit soort misselijkmakende en onchristelijke tactiek van mensen die denken dat ze net even meer macht hebben, welke niet vaak genoeg aan de kaak gesteld kan worden. Gerard ging er niet aan onderdoor, maar hij kijkt nu wel anders naar de mensen – en naar de kerk. Heeft die nog toekomst? De vraag stellen is hem beantwoorden.

06072021

Schiphol

‘Jij bent Johannes Gerardus van Krevelen?’
De chef, type ‘mij-hoef-je-niets-meer-te-vertellen-want-ik-heb-alles-al-meegemaakt’ (hoeveel jaar nog tot aan z’n pensioen?) keek vorsend over z’n leesbril. Hij hield de vier briefjes van het uitzendbureau vast en wilde verder gaan, maar Johannes Gerardus zei ‘dat het gewoon Johan was.’
‘We hebben nu eenmaal jullie geboortenamen nodig,’ reageerde de chef korzelig en vervolgde:
‘Hendrikus Josephus Xaverius Maria van Bladel, van onder de rivieren natuurlijk, dat ben jij, en dan hebben we Roberto, ik neem aan dat jij dat bent, wees hij op een lichtgetinte jongen in  het gezelschap, en dan, eens even kijken, Guillaume.’
‘Oké, die laatste meneer met de zondagse voornaam gaat met Ömer mee, daar komt-ie net aan, en de andere drie gaan met mij mee.’
De chef stapte op van z’n stoel en liep met de drie jongens het kantoortje uit, terwijl de man die blijkbaar Ömer heette bij de deuropening naar Willem wenkte met de woorden ‘vriend, jij meekomen.’ Vervolgens begon hij zwijgend aan een straffe mars door allerlei verschillende werkruimtes.
Een enorme zaal met lopende banden waar dames dienbladen vulden met plastic bestek,  bordjes en sandwiches werd afgesloten door een zware plastic tochtdeur. ‘WARME KEUKEN’ stond er met grote letters boven. Op de deur zelf had iemand met een viltstift geschreven: ‘Kan U Neuken’.
‘Warme keuken – kan u neuken.’ Als de keuken het onderwerp is, bedacht Willem filosoferend, hoe neukt zij u dan?  maar Ömer, die onderweg twee collega’s met een ‘merhaba’ had begroet, duwde de deur open, liep een lange gang door en ging een kale ruimte binnen waar verschillende soorten dozen hoog stonden opgestapeld. Van een metalen tafel waar een electrische blikopener aan was bevestigd pakte hij een mes, sneed daarmee de bovenzijde van een doos open, haalde er een blik perziken uit, draaide die geroutineerd open met de blikopener en gooide de inhoud in een grote witte krat. Het dekseltje, dat ook was meegekomen met de siroop en de halve perziken, viste hij uit de kleverige troep en gooide die in een prullenbak. ‘Vriend, jij doen tien dozen,’ zei hij en gaf Willem een lijstje waarop blijkbaar de taken van die dag stonden vermeld. Tien dozen perziken, twee dozen artisjokken, acht dozen sperciebonen, vijf dozen worteltjes en twee dozen peren op sap.
Zonder op enig commentaar te wachten liep Ömer weg en dat was dan ook de laatste keer dat Willem hem had gezien.
Hij pakte een blik uit de doos, zette die aan de electrische opener, pakte het blik weer vast nadat het was opengedraaid en gooide de oranje halvemaanbobbels blubberend in een krat. Nu dat dekseltje nog. Het was niet eenvoudig om dat ijzeren rondje met een gevaarlijk scherp randje op te pakken, terwijl het ook nog eens in de kleeftroep op de bodem lag. Hij pakte het dekseltje vast en voelde een scherp puntje in zijn vinger prikken. Bij het tweede blik zou hij het anders doen: onder het omkeren meteen proberen het dekseltje te pakken. Maar dat was ook niks, want dan ging de siroop over je hand en met kleefhanden werken was helemaal ellende. Dan maar dekseltjes vissen. Na tien, twintig blikken kwam de routine er in. Zonder veel nadenken opende Willem doos na doos. Hij keek naar z’n handen. Daar waren inmiddels al behoorlijk wat kleine wondjes te zien. Soms lukte het makkelijk om het dekseltje op te pakken, maar soms ook moest er enig plukwerk aan te pas komen om zo’n klein monster uit de siroopblubber te plukken. Scherp en gevaarlijk waren de krengen.

Vier, vijf dozen later verscheen er opeens een Turk. ‘Vriend, jij doen niet goed, water weg.’
‘Meneer Ömer heeft het mij zo voorgedaan, dus…’
Maar de Turk wachtte niet op een reactie, keek de ruimte rond en liep op een hoek af waar grote kratten stonden opgestapeld die eruit zagen als vierkant gevlochte manden, blijkbaar zo gemaakt om het vocht er uit te laten lopen. Hij zette een open krat boven een putje, pakte een dichte krat die Willem al voor tweederde had gevuld met zoete blubber en kieperde de hele zooi in de andere krat. Zeker de helft flikkerde over de rand. Het sap sijpelde uit de krat in het putje maar veel ging ernaast. Talloze halve maantjes glibberden als bolle schoteltjes over de vloer. De Turk was blijkbaar Nederlands genoeg om godverdomme te zeggen en begon verder zonder omhalen perziken te rapen, gooide ze terug in de krat met gaatjes en Willem kon alleen maar schutterig meehelpen. Wat moest hij anders? Half schaatsend, half glijdend over de gladde vloer raapten de twee de vloer leeg en toen de gatenkrat gevuld was, stond de Turk weer op en zei: ‘jij doen goed, maar water weg vriend, oke? ’

Tien dozen perziken later was het koffietijd. De andere jongens hadden aan de lopende band gestaan en Willem liet in de kantine een beetje beteuterd z’n gewonde vingers zien. ‘Iedere keer zo’n deksel uit de stroop pakken, het lukt gewoon niet altijd zonder dat je in je vingers snijdt. ’ Roberto vond dat Willem zich een beetje aanstelde. ‘Wij krijgen lamme armen van de lopende band. Het lijkt wel of die Portugese dames de band iedere keer sneller laten lopen. ‘Ja,’ voegde Johan er nog aan toe, ‘en zij doen maar één handeling terwijl wij steeds twee dingen op het plateau moeten zetten.’ Willem zweeg, maar was er niet gerust op. Na de koffietijd, bij de artisjokken ging het bijna mis en sneed hij zich diep in z’n wijsvinger. Daar moest echt een pleister op. Naast de blikopener-ruimte was de slagerij en een slager sneed met een mes geroutineerd een stuk pleister van een rol en zei: ‘Welkom bij de club. Voorzichtig maar weer, meneer de student.’

In de middagpauze vroeg Willem aan de chef of hij iets anders mocht doen. ‘Tja, dat blikken openen ook,’ verzuchtte hij en nu was Roberto de klos. Willem mocht aan de lopende band. Bestek links op het plateau naast een bordje dat één van de dames al had neergezet en rechtsboven een in cellofaan verpakt broodje. De andere jongens volgden met pakjes boter, jam, een yoghurtje, een plak kaas en een servetje. Lamme armen kreeg je van die voortdurende handelingen en dan had je dat gekwebbel van die Portugese dames ook nog te verduren. Een half uur later leek het bijna gedaan met de pret. Een haastig zwetende chef liep snel door de ruimte terwijl hij de arm van een lijkbleke Roberto, die achter hem aan hobbelde, omhoog hield. ‘Attentie alstublieft, EHBO, ruimte meneer Keulemans, Koude en Warme Keuken,’ werd er omgeroepen, ‘ik herhaal, EHBO, kantoor Koude en Warme Keuken. Spoed.’ De Portugese dames hadden de lopende band even stilgezet en iedereen keek naar het spoor van bloeddruppels dat het tweetal als een sliert achter zich had gelaten. De volgende dag was de ruimte met de blikken gesloten. Willem mocht weer bij de opdek. Maar hij moest nu wel drie handelingen tegelijk verrichten, want Roberto was niet verschenen.
01072021

Naar het strand

Singh heette hij, maar zo heetten ze allemaal. Op een zondagavond was hij plotseling  verschenen. Breed stralend stond hij voor de deur van de eenheid met z’n tulband op en vroeg of Kees, de bewoner van kamer elf ook thuis was. Want daar ging hij wonen en hij wilde diens carpet wel overnemen. Na een paar weken was iedereen wel zo’n beetje aan Singhs aanwezigheid gewend. Soms, als er telefoon voor hem was en hij plotseling uit z’n kamertje opdook, kon hij er tamelijk woest uitzien met z’n wijduitstaande bos haren, wanneer de tulband niet om het hoofd gedrapeerd zat. Als hij niet thuis was en er telefoon voor hem was, schreven de andere bewoners gewoon ‘Singh, Singh has called’ op het bord. Of het Inder was, of Mohindar, of Bopindar: wat maakte het uit? Singh heetten ze allemaal. Eén van z’n vrienden, een fanatiekeling blijkbaar, gezien het feit dat hij zelfs zijn baard niet knipte en die ook in een netje om zijn kin bijeen hield, had het een keer uitgelegd. Een Sikh gelooft in één God, heet Singh, wat zoiets als ‘leeuw’ betekent, laat z’n haren niet knippen, draagt een armband en heeft altijd een dolk bij zich. Die dolk, dat was tegenwoordig natuurlijk een symbolisch geval, voegde hij er met de kenmerkende stralende gezichtsuitdrukking aan toe. Of was die permanente glimlach toch meer een geïnstitutionaliseerde plastic grijns, door lang oefenen verplicht geïnternaliseerd om de ander er maar van te overtuigen dat deze godsdienst vooral geen kwaad in de zin had? Willem zou het nooit te weten komen. Omdat hij afdelingscommissaris was, kwam Singh wel eens naar hem toe met wat huis- tuin en keuken vragen. Of hij de koelkast in de keuken kon gebruiken (natuurlijk), hoe de telefoon werkte (tikken graag noteren aub) en of hij zondagmiddag in de keuken naar de televisie kon kijken met z’n vriendin (vanzelfsprekend). Zo werd er ook wel eens wat algemene kennis over India en Nederland uitgewisseld. Dat z’n vader een schroevenfabriek had en dat we al die verhalen over armoede in India niet moesten geloven. Want de meeste mensen werkten gewoon. ‘Je moet het zo zien, die armoede is een soort beroep van die mensen. Ze willen niet werken en gaan daarom maar bedelen.’ Hij had wel moeite met de eenzaamheid in Nederland, vooral op zondag, als er bijna niemand op de eenheid was. Daarom had hij zich maar een vriendin genomen.

Die vriendin, daar werd wel over geroddeld. Was het wel z’n vriendin, of was het gewoon een deerne voor in bed? Het was niet echt een schoonheid en ze kwam iedere zondag uit Leiden om te koken. Altijd bloemkool, die Singh soms al een paar dagen vantevoren had gekocht. Eén keer kwam hij tot z’n schrik tot de ontdekking dat één van de andere studenten z’n cauliflower had weggegooid, omdat-ie al een beetje verrot was. Singh vroeg wie dat misschien gedaan kon hebben, maar Willem haalde z’n schouders op, hoewel hij wist dat Alie Boermans het gedaan had, de Rotterdamse die soms nogal eens radicaal kon opruimen. Maar toch leek het Singh wel te bevallen op de eenheid en één keer liet hij zelfs iemand opdraven om voor alle eenheidsgenoten te koken – zonder de hete Indiase kruiden, dat wel, want anders was er brand uitgebroken.

Een paar weken later werd er op een doordeweekse avond als vanouds gekookt en gerommeld in de keuken en Willem stond een paprikaatje te snijden toen Singh naar hem toe kwam. ‘I want to show you some pictures, in my room, it’s for the other guys too.’
‘Jongens, Singh wil wat laten zien op zijn kamer, een film of zoiets,’ reageerde Willem nonchalant en in optocht gingen Willem, Brabantse Ben, Marieke uit Katwijk, Alie en ook Henk-Jan, die net uit z’n kamer kwam, naar de kamer van Singh. Iedereen was maar half geïnteresseerd, want het onderbrak het avondeten en in een filmpje over India of de familie van Singh had niemand belangstelling. Maar de beleefdheid won het van de desinteresse en men dook het kamertje in, waar in het halfduister Mohindar, Bopindar, of Inder, of hoe ze allemaal ook mochten heten, een groezelig pornofilmpje zat af te draaien. ‘Hier heb ik geen zin in hoor,’ zei Marieke en het groepje maakte lacherig rechtsomkeerd. ‘Joehoe, die Singh,’ loeide Henk-Jan, ‘dus daarom is-ie naar Nederland gekomen.’ ‘I said the other guys, not the girls,’ fluisterde Singh Willem nog in het voorbijgaan toe, maar Willem toog alweer naar de keuken om zijn paprika te snijden.

Een paar weken later ontstond het idee – het was vrijdag – om met z’n allen diezelfde zondag naar het strand te gaan. Gewoon met de trein naar Zandvoort, en dan een eind lopen, ‘we zien wel waar we uitkomen.’ Singh werd ook gevraagd. ‘Nee, bedankt voor de uitnodiging. Ik heb gehoord dat er Nederlandse stranden zijn waar iedereen helemaal naakt is, en mijn godsdienst verbiedt het aanschouwen van vrouwelijk naakt in het openbaar.’ Oké, dan niet en diezelfde zondag sloften Ben, Willem, Alie, Henk-Jan en Brenda, een kennis van een andere eenheid rond half één naar de bus om vervolgens de trein naar Zandvoort te nemen. Het was druk op het strand. Men lag handdoek aan handdoek, bil aan bil en daar tussendoor was het gejengel van kinderen en enig transistorlawaai te horen. ‘Pfoe, dit wordt niks,’ klaagde Brenda, maar Alie hield als vanouds goede moed. ‘We lopen gewoon door. Een eind verderop is het naaktstand en daar is het over het algemeen rustiger, en wie wil kan gewoon z’n badkleding aanhouden.’ Men sjokte verder, de zon scheen fel en Willem begon bijna een beetje te hallucineren, totdat Brenda plotseling een enorme gil slaakte. Aan de rand van het naaktstrand lagen twee mannen, volledig gekleed, op hun buik met grote ogen de omgeving in zich op te nemen. Het leek wel of ze in het centrum van een kleine meteoriet-inslag lagen, want met meters vrije ruimte rondom gaven de andere strandgangers aan hier eigenlijk niet van gediend te willen zijn. Het zag er dan ook potsierlijk uit, die twee volledig geklede heren met allebei een zorgvuldig gedrapeerde tulband op het hoofd. Het waren Singh en zijn vriend, Mohindar, Bopindar of Inder, of hoe ze allemaal ook mochten heten.

23062021       

KROEPOEK IN DE KOLENKIT

‘Jij hebt een zwarte tante hè?’ zei m’n vriendje Mees.
‘Jazeker,’ antwoordde ik trots, want een zwarte tante, dát was nog eens bijzonder. Zwarte mensen woonden in de West en in Nederland kwam je ze nooit tegen. Eigenlijk snapte ik het niet. Want mijn tante Eva kwam uit Indonesië waar ze mijn oom Reinier was tegengekomen. En in Indonesië waren de mensen niet zwart, maar een soort van lichtgeel, net als de Molukkers, die bijvoorbeeld in Woonoord ‘Lunetten’ in Vught woonden. Daar in dat woonoord in Vught woonde, naast de Molukkers, nog één Nederlandse familie, de familie van mijn tante Corrie, de zus van mijn moeder. Die woonde daar omdat oom Jo een tijdlang onderwijzer was geweest in Waikabubak op Soemba, waar mijn neef was geboren. Die vertelde altijd te pas en te onpas dat hij in Waikabubak was geboren, want dat was nog eens interessant. We kwamen niet vaak bij tante Corrie en oom Jo, maar die ene keer dat ik er was geweest herinnerde ik me wel dat de Molukkers een soort van lichtgeel waren en we aten spekkoek van mevrouw Sapolette.

Oom Reinier en tante Eva woonden in Den Haag. Soms kwamen ze op een zondagmiddag plotseling bij ons in Haarlem op bezoek, want oom Reinier had een auto, een Volkswagen Kever. Het waren moderne mensen. Ze rookten Chief Whip uit een groen pakje en waren uit de gereformeerde kerk gestapt om hervormd te worden. De hervormde kerk was namelijk  lichter dan de gereformeerde kerk. Eén keer kwam Joyce, de jongste dochter ook mee. Ze was erg muzikaal en had al één keer een optreden op de televisie gehad met haar groep ‘De Bibits.’ Op de televisie! Nou jongens, wie kon dat nou zeggen? Het was in het programma ‘Rooster’ geweest, van de Avro. Dat was eigenlijk een saai programma, want het was een programma voor de rijpere jeugd. We hadden het optreden bij de familie Stoute gezien, die verderop woonde en al televisie had. Liever keek ik met m’n zussen naar Pipo de Clown of Swiebertje. Dappere Dodo vond ik te kinderachtig, dat was voor de kleuters. Maar nu Joyce op de televisie was geweest kon ‘Rooster’ natuurlijk niet meer stuk. ‘Het was best wel eng hoor, met al die lampen,’ sprak Joyce later op een familiebijeenkomst heel interessant, terwijl iedereen ademloos toehoorde.  ‘Maar wel een leuke naam, ‘de Bibits,’ zei m’n oudste zus – die had tante Eva bedacht.

Op een avond vroeg m’n moeder of ik het niet leuk zou vinden om een paar nachtjes in Den Haag te logeren. Dat wilde ik wel; het leek me een heel avontuur. Na wat telefoontjes heen en weer – wij hadden als enige familie op de Vondelweg telefoon, dat kwam omdat m’n vader in de gemeenteraad zat  – werd er een afspraak gemaakt en op een dag brachten m’n ouders me met de bus van Maarse & Kroon naar Den Haag. In de flat aan de Joan Blasiusstraat was het een drukte van belang. Uit de keuken klonk het klink en klonk van pannen en schaaltjes, geritsel van bestek en een vrolijke lach van tante Eva. ‘Adoé!’ Het was al vaker verteld in de familie dat wanneer tante Eva kookte en een rijsttafel maakte, ze soms wel drie dagen in de keuken stond. Drie dagen! Dat was nog eens iets anders dan de stamppot voor acht personen die op Vondelweg 380 dagelijks op tafel kwam – met uitzondering van de macaroni op zaterdag en de rosbief met bloemkool en lammetjespap op zondag.

Oom Reinier converseerde over het één en ander met m’n ouders terwijl ik toekeek hoe de kamerdeur steeds open en dicht ging en Joyce binnenkwam om dan weer dit, en dan weer dat schaaltje op tafel te zetten. Tjonge, zoveel schaaltjes? En moest je dat allemaal opeten? Op een gegeven moment kwam ze met grote vellen kroepoek naar binnen om op de schoorsteenmantel te zetten, om te drogen. Maar één vel kroepoek viel naar beneden, precies, tjoep! in de kolenkit. Joyce grinnikte en viste het kroepoekvel er uit en zette het weer op de schoorsteenmantel. Het was bijna zomer en de kolenkit was leeg en schoon, dus het kroepoekvel kon gewoon worden gegeten.

We gingen aan tafel. ‘Tjongejonge, wat geweldig. Wat lekker Eva!’ Mijn ouders overlaadden m’n tante met lofprijzingen en begonnen hier en daar wat uit de schaaltjes op te scheppen. ‘En wat vind jij lekker, Guido?’ vroeg m’n tante. ‘Eh, nee dank u, ik heb geen honger.’ Het was me allemaal veel te eng, al dat rare eten. ‘Wil je niet een stukje kroepoek?’ Ja, dat wilde ik wel proberen. Krak! Hé, dat was best lekker.
De maaltijd vorderde. Of ik niet wat saté wilde, of rendang, of gado-gado. ‘Nee, dank u, echt niet, geeft u nog maar een stukje kroepoek.’

Toen de maaltijd ten einde was namen m’n ouders afscheid. Ik kreeg een brok in de keel, maar probeerde dapper te zijn en liet geen enkele traan. Tante Eva had een bed voor me opgemaakt in de logeerkamer en oom Reinier gaf me een boek om te lezen: ‘Reis om de wereld in honderd dagen en een eiland vol avonturen.’ Ik begon er in te lezen omdat het natuurlijk interessant moest zijn en dus vond ik dat ook.  De volgende dag ging ik achterop de Solex van oom Reinier (die had hij ook) bij een paar mensen op bezoek. Ik kreeg een bal van tante Eva maar toen ik er in het halletje wat mee speelde, moest ik er mee stoppen. ‘Dat mag niet hoor, daar hebben de buren last van, dus als je met de bal wil spelen moet je dat buiten doen, beneden, ’ sprak ze streng. Maar dat durfde ik niet, dus dan maar weer in ‘Reis om de wereld’ gelezen. ’s Avonds gingen we met z’n vieren (Joyce ging ook mee) naar Madurodam. ’s Avonds! Dat was nog eens betoverend, met al die lichtjes. En daarna naar een restaurantje om nog wat saté te eten. Maar ik at natuurlijk niks, want saté kende ik niet. Bijzonder was het natuurlijk wel, ’s avonds laat nog naar een restaurant. Want die waren in Haarlem ’s avonds gesloten.

De paar dagen vlogen voorbij. Oom Reinier bracht me naar de bus van Maarse & Kroon voor de terugreis. Hij ging eerst de bus in om tegen de chauffeur te zeggen dat ik, een jongetje van negen jaar, alleen reisde. In Haarlem kwamen m’n moeder en zusje me ophalen. Hoe was het bij oom Reinier en tante Eva? vroeg m’n moeder. ‘Het was mieters, moeder. Want dat woord, mieters, was heel interessant. Dat had ik van Joyce geleerd.

10062021

Germanisme, Anglicisme, nu ook een Afrikanisme?

Een piepklein verschijnsel in de marge, maar het valt wel op. Op officiële brieven van instanties aan bijvoorbeeld ondergetekende stond altijd “Aan de heer G. van den Berg”. Dat was tientallen jaren zo in Nederland, het was altijd ‘De heer en mevrouw ( dat laatste soms afgekort tot ‘mevr’). ‘Mejuffrouw’ (soms afgekort tot ‘Mej’) voor ongetrouwde vrouwen is ergens in de jaren ’60 al weer afgeschaft. Een enkeling gebruikt het nog wel eens wanneer hij of zij een brief schrijft aan een meisje met de leeftijd tot pakweg 12 jaar, maar officiële instanties gebruiken de aanspreektitel ‘Mej.’ niet meer.
In ieder geval, laat ik ( en mijn zoon) nu de laatste tijd steeds meer brieven krijgen van instanties waarbij in het adresvenster staat dat de brief gericht is aan ‘Meneer G. van den Berg’. Wat zit daar achter? In Nederland wordt ‘meneer’ in het algemeen vooral gebruikt in het dagelijks spraakgebruik, bijvoorbeeld in een winkel: ‘meneer, wat mag het wezen?’ of op straat: ‘Hé meneer, uw gulp staat open!’. Maar de officiële aanhef in en op brieven is en was altijd ‘Aan de heer…’ en dat wordt dus steeds meer ‘Aan meneer’. In het emailverkeer zie je ook steeds meer dat het ‘ Geachte heer ‘ steeds meer vervangen wordt door ‘Beste meneer’.
Waarom gebeurt dit zo sluipenderwijs, of is er meer aan de hand? Is er over vergaderd? De voorlopig enige conclusie die ik kan trekken is dat men het allemaal wat gewoner wilde houden, men vond ‘de heer’ wat te plechtstatig. De hele genderdiscussie kan het niet geweest zijn, want ‘de heer’ of ‘meneer’ blijven mannen.
Maar even droomde ik ervan dat de Chef of Cheffin Aanhef Brieven een toevallig net uit Zuid-Afrika geimmigreerde persoon was, die vond dat de aanhef gewoon ‘meneer’ moest zijn. Want ‘meneer’ (afgekort tot ‘mnr’), dat was hij of zij zo gewend, want de aanhef ‘Aan de heer’ kennen ze niet in Zuid-Afrika. Dus dan was hier sprake geweest van een Afrikanisme! Germanismen ( waar ooit Genootschap Onze Taal voor is opgericht) en de tsunami aan Anglicismen kenden we in Nederland al, maar hiep hiep hoera! Nu kennen we ook het Afrikanisme!
30052021

Verandering begint bij de top – ook bij het Zuid-Afrikahuis

Onder de titel ‘Verandering begint bij de top’ (Opinie en Debat, NRC 22/23 mei 2021) brengt oud-lid van de Tweede Kamer (CDA) Jan Schinkelshoek de patstelling in de politiek van vijftig jaar geleden in herinnering. De verstarde verhoudingen tussen links (lees: de PvdA onder leiding van Joop den Uyl) en rechts (in dit geval met name de confessionele partijen, nu CDA) konden met een extraparlementaire oplossing behendig worden doorbroken. Het leverde een kabinet op dat zonder een uitgewerkt regeerakkoord op afstand van de Tweede Kamer opereerde. Aan het einde van het artikel stelt Schinkelshoek verder nog dat ‘wie een bestuurscultuur wil veranderen, een parlement wil dat zo ongebonden mogelijk opereert, wie een tegenmacht wil creëren, het ook heeft over een politieke constellatie waarbij bewindslieden bij voorkeur van buiten komen. Oftewel: geen Rutte IV […] Of is dat een te radicale cultuuromslag?’

Wie dit artikel oppervlakkig leest, zal het sympathiek vinden, omdat het pleit voor het doorbreken van volkomen vastgelopen verhoudingen. Echter, de heer Schinkelshoek is sinds 2017 ook voorzitter van de Stichting Zuid-Afrikahuis Nederland. Wie hem in die hoedanigheid kent,  kan zich niet aan de indruk onttrekken dat het artikel een sterke overeenkomst vertoont met het pleidooi van Mark Rutte in Nieuwsuur voor een andere bestuurscultuur. Rutte, reeds tien jaar lang premier van Nederland, in die hoedanigheid mede verantwoordelijk voor bijvoorbeeld de toeslagenaffaire, en dan opeens een andere bestuurscultuur – het kan verkeren. Ik haast me om te melden dat er in het Zuid-Afrikahuis geenszins een affaire ter grootte van de toeslagenaffaire heeft plaatsgevonden, maar onder de eindverantwoordelijkheid van voorzitter Schinkelshoek vond er in 2019 wel een tragedie plaats aan de Keizersgracht in Amsterdam die diepe sporen heeft achtergelaten. Alle (!) zes medewerkers en vrijwilligers van dat moment, betrokken professionals, onder wie de bibliothecaris, die vele jaren geleden vrijwel from scratch de bibliotheek had gereorganiseerd, voelden zich gedwongen ‘een functie elders’ te zoeken. [NB: één medewerkster koos ervoor haar tijd ‘uit te zitten’ tot aan de pensioengerechtigde leeftijd]. Verdriet, boosheid, frustratie: het bestuur was doof voor de signalen. Slechts één bestuurslid koos ervoor z’n bestuurszetel ter beschikking te stellen, de anderen bleven liever op het pluche. Pas nadat twee zwaargewichten uit het circuit van buitenaf druk uitoefenden op het bestuur gebeurde er iets, maar toen was het eigenlijk al te laat. Alle medewerkers waren vertrokken of zouden vertrekken – nogmaals, het verdriet, de boosheid, de frustratie en niet te vergeten het verlies van kennis – het was enorm.

Het bestuur ging over tot de orde van de dag en nam nieuwe medewerkers aan, die ongetwijfeld met veel enthousiasme en inzet aan de slag zijn gegaan – geen kwaad woord daarover. Maar voor het bestuur was het gewoon back to business. Wie als oppervlakkige buitenstaander hiervan kennis neemt, zal zijn schouders ophalen en denken: ach ja, overal is wel wat aan de hand en arbeidsconflicten kom je overal tegen. Maar niets is minder waar. Want het gaat veel dieper. Het gaat namelijk over een zelfingenomen bestuurscultuur in combinatie met het volkomen wegkijken van de (nieuwe) verhoudingen tussen Nederland en Zuid-Afrika.

Het Zuid-Afrikahuis en de met haar verbonden organisaties kent een geschiedenis die teruggaat tot eind 19e eeuw. Rode draad in de afgelopen vijftig jaar zijn de zorg, de uitbouw en de professionalisering van de indrukwekkende bibliotheek en de – eufemistisch uitgesproken – ongemakkelijke omgang met begrippen als racisme en Apartheid. Over de bibliotheek zijn vriend en vijand het eens: die behoort tot de internationale top op het gebied van kennis over de cultuur, geschiedenis en letterkunde van Zuid-Afrika. Na de voltooiing van de restauratie van het grachtenpand in 2016 werden tevens uiteenlopende projecten gestart variërend van lezingen, film- en debatavonden tot aan een digitaliseringsproject van archiefmateriaal. Vaste prik zijn en waren de lessen Afrikaans voor Nederlandstaligen en de lessen Nederlands voor Afrikaanstaligen. Niet onvermeld mag blijven dat de Stichting Zuid-Afrikahuis Nederland de bijzondere leerstoel Cultuur, letterkunde en geschiedenis van Zuid-Afrika financiert aan de Universiteit van Amsterdam.

Maar dan die ongemakkelijke omgang met racisme en Apartheid. De aan het Zuid-Afrikahuis verbonden stichtingen en verenigingen gaan terug tot de solidariteit met de Boeren in Zuid-Afrika en hun strijd tegen de Engelsen (‘het perfide Albion’) aan het einde van de 19e eeuw. Terwijl Nederland en de wereld in de jaren ’70 en ’80 van de vorige eeuw massaal kozen voor de strijd tegen de Apartheid, sloot men in het Zuid-Afrikahuis letterlijk en figuurlijk de luiken. ‘Politiek’ was niet aan de orde. Ik  zou de waarheid geweld aan doen om te stellen dat in het Zuid-Afrikahuis van die tijd diehard verdedigers van de Apartheid huisden, maar de band met blank Zuid-Afrika werd gehandhaafd; in zekere zin werd daar begrip voor gevraagd. Er werd lippendienst bewezen aan gematigde Anti-Apartheidsbewegingen, maar daar bleef het dan ook bij. Zo werd bijvoorbeeld in 1975 een uitwisselingstraject van jongeren gestart om kennis te maken met Zuid-Afrika en vice versa met Nederland (‘je moet er geweest zijn om erover te kunnen oordelen.’). Onnodig te melden dat het hier om blanke jongeren ging (en gaat), en – excusez le mot – hier en daar een excuusneger. Na de verkiezingen in 1994 en de bevrijding van de Apartheid gingen in het Zuid-Afrikahuis de luiken letterlijk en figuurlijk voorzichtig weer open. Wat bleef was de band met de Afrikaanstalige bevolking, maar de ongemakkelijke omgang met begrippen als Apartheid en racisme bleven. Harde keuzes werden niet gemaakt. En dat is en was laakbaar, want het Afrikaans, de taal, zucht namelijk nog steeds onder de smet van de Apartheid. Net als het Duits in het Nederland van na de Tweede Wereldoorlog nog vaak met het nazisme werd geassocieerd (nog altijd krijgen Nederlandse kinderen op de middelbare school om die reden (!) pas in het tweede leerjaar Duits), zo werd en wordt het Afrikaans nog steeds met ‘Apartheid’ geassocieerd. Dat is ten onrechte, omdat de meerderheid van de Afrikaanstalige bevolking tot de kleurlingen wordt gerekend en zij heeft, net als de zwarte bevolking, ook onder de Apartheid geleden. Maar het blanke Apartheidsregime gijzelde het Afrikaans en maakte het daarmee de taal van de onderdrukker, terwijl het eigenlijk, om met Breyten Breytenbach te spreken, een ‘bastertaal’ is.

Anno 2021 wordt het debat in Nederland over Zuid-Afrika steeds meer bepaald door extreem rechts. De riedel ‘blank-Afrikaans-bedreigd-onderdrukt’ wordt steeds meer gehoord en afgezien van het feit dat dit in zijn absoluutheid niet waar is, is met name de Afrikaanstalige bevolking hier niet mee geholpen. Het Zuid-Afrikahuis, en dan met name het bestuur, beschouwt zich als de culturele ambassade van het Afrikaans in Nederland. Maar door afwezig te blijven in het debat laat ze de Afrikaanstalige bevolking in de kou staan, omdat het beeld blijft bestaan dat het Afrikaans de taal is van de blanke (bedreigde) bevolking. Nog onlangs twitterde Thierry Baudet over de blanke bevolking van Zuid-Afrika die welkom is in Nederland. Dat de meerderheid van de blanke Zuid-Afrikanen allang voor Australië heeft gekozen, laten we maar even buiten beschouwing. Historici als Arend-Jan Boekestijn en Han van der Horst reageerden er op, vanuit het Zuid-Afrikahuis bleef het stil.

Black Lives Matter, Kick Out Zwarte Piet, The Black Archives, Black Heritage Tours, Sylvana Simons als luis in de pels in de Tweede Kamer, een slavernijtentoonstelling in het Rijksmuseum (georganiseerd door het zwarte hoofd geschiedenis Valika Smeulders), en natuurlijk Jeangu Macrooij en zijn ‘Birth of a new age’ (lees de New York Times), er verandert wat in Nederland. Dat kan het blanke bestuur van de Stichting Zuid-Afrikahuis Nederland zich aantrekken. Ook omdat het Afrikaans steeds minder een witte taal is (en was). De kleine groep blanken in Zuid-Afrika die ervoor gekozen heeft in het land te blijven, is zich hier pijnlijk van bewust en nog niet zo lang geleden vroeg professor Wannie Carstens (Noord Wes Universiteit) hier aandacht voor met het boek ‘Ons kom van ver’. Je moet van ver komen om het te zien (in dit geval de taal en letteren van de kleurlingbevolking aan de Kaap). Maar je kunt het ook anders bekijken. Om het artikel van Schinkelshoek in NRC te parafraseren: wie een bestuurscultuur wil veranderen, een bestuur wil dat zo ongebonden mogelijk opereert, wie een tegenmacht wil creëren, heeft het ook over een constellatie waarbij bestuursleden bij voorkeur van buiten komen. Sylvana Simons zal het te druk hebben, maar misschien kent zij iemand anders. Of is dat een te radicale cultuuromslag?

24052021

Katholieken en Hervormden

In Haarlem had je twee soorten geloof: Gereformeerd en Hervormd. Gereformeerden gingen ’s zondags naar de kerk, hervormden niet, dus hervormd of niks was hetzelfde. Het waren openbare stinksigaren, want ze gingen ook nog eens naar de openbare school. O ja, er waren, zo werd je verteld, ook nog katholieken. Je kwam ze nooit tegen, maar dat was een verderfelijk soort. Ze hadden een paus die dacht dat- ie God zelf was, ze woonden met z’n allen onder de rivieren waar ze onder de knoet werden gehouden, behalve met carnaval, dan mochten ze feest vieren. Negen maanden na carnaval was er altijd een geboortegolf, zo werd verteld.
Toen verhuisden we naar Arnhem, Laan van Presikhaaf 314, precies tegenover de katholieke Sint Nicolaas kerk. Het waren huizen van de katholieke woningbouwvereniging, huizen voor grote gezinnen, met in ons huis beneden twee kamertjes extra, de buren boven twee kamertjes extra. Omdat mijn vader ambtenaar was, mochten we er, ondanks het feit dat we niet katholiek waren, toch wonen. Wij waren de eerste bewoners en maakten er de strenge winter van 62/63 mee. Toen, in het voorjaar van ’63 kwamen de andere bewoners. De familie Koster, negen kinderen, de familie Pas, idem, de familie Moison, zes kinderen. Wij, met zes kinderen, behoorden dus qua kinderaantal tot de middenmoot.
Katholieken gingen, net als gereformeerden, naar de kerk, maar deden dat op een veel handiger manier: je kon al op zaterdagavond gaan, en op de zondagochtend had je het helemaal voor het uitkiezen: vroegmis, ochtendmis, hoogmis: u zoekt maar uit!
Het waren de jaren van de oecumene en af en toe werden er in een bomvolle Nicolaaskerk gemeenschappelijke diensten ( katholieken noemden dat een mis) gehouden.
Het ging zelfs zo ver, dat toen kardinaal Alfrink op bezoek kwam in de Nicolaaskerk, de buren aan mijn moeder vroegen of zij ook de vlag uit wilde steken. Vooruit, sprak mijn moeder, die Alfrink is een aardige man, dus oké, maar als de paus komt, dan niet, sprak ze ferm.
Goede bedoelingen, meer niet, want een verhouding tussen een katholiek en een gereformeerde bijvoorbeeld, daar kwam niets van in. Twee geloven op een kussen… Als het toch gebeurde, dan moest er een keuze worden gemaakt, zoals de moeder van mijn schoolvriend Bert had gedaan. Fien Barois uit het Limburgse Echt, heel jong weduwe geworden, was de douaneambtenaar Klaassen tegen het lijf gelopen en dus maar gereformeerd geworden.
Op Hemelvaartsdag gingen we altijd dauwtrappen. Om vijf uur op en dan maar fietsen. Met mijn vrienden Peter Ophorst en Anjo Jansen fietsten we naar Uddel. Rond een uur of negen kwamen we in het Veluwse dorp aan. We hadden wel zin in een flesje prik en kochten bij een lokale zuivelhandel een flesje Fanta. De eigenaar deed een beetje zenuwachtig en vroeg of we achterom wilden komen en het daar op wilden drinken. Dat deden we, maar we snapten niet helemaal waarom.
Nadat we de flesjes op hadden en een boer hadden gelaten, liepen we weer naar voren. Tegenover de zuivelhandel was een eenvoudig kerkgebouw. De koster, dat kon je goed zien omdat de kerkdeuren in de toren van de kerk wijd openstonden, stond duchtig aan de touwen van de kerkklokken te trekken, die dan ook luid over het dorp klepelden om de gelovigen op te roepen ter kerke te gaan.
We stonden er een beetje geamuseerd naar te kijken. Maar nog geamuseerder keken we naar het kerkvolk. Mannen in zwart pak voorop, daarachter de echtgenote, ook in het zwart met een hoedje op, en daarachter weer de kinderen, jongens in het zwart, meisjes met lakschoentjes en een mutsje op. Als zwarte slierten verdwenen ze in het gebouw. Toen gingen de kerkdeuren dicht. Het geklingel van de kerkklokken werd minder en hield op een gegeven moment op. Pas toen viel me het naambord van de kerk op. HERVORMDE GEMEENTE, stond er in grote letters. Ik snapte er niets van. Thuisgekomen vroeg ik aan m’n moeder hoe dat nou toch zat, mensen in het zwart die zelfs op Hemelvaartsdag naar de hervormde kerk gingen. Want hervormden gingen toch nooit naar de kerk? En wij, gewone gereformeerden, gingen op Hemelvaartsdag ook echt niet naar de kerk. Er volgde een ingewikkeld antwoord van m’n moeder over de Gereformeerde Bond in de Hervormde kerk. Ze waren véél en véél strenger dan gewone gereformeerden, maar noemden zich nog steeds hervormd. O, zoiets als de katholieken, zei ik. Je hebt van die strenge nonnetjes die de hele dag lopen te bidden, en je hebt van die mooie meisjes, zoals van de buren, die zich mooi maken en met jongens uitgaan en carnaval vieren.
Zoiets ja, zei m’n moeder.
10052021

De erkenning

Amsterdam Oud-Zuid, najaar 1974

‘Het gaat om de erkenning, meneer.’ Ze drukte haar filtersigaret uit in de asbak, zo’n ouderwetse, een ronde met opstaande geribbelde rand, en in die rand allemaal ronde gaatjes waarin je precies één sigaret kon uitdoven.
Ze stond op en zei: ‘Meneer lust zeker nog wel een biertje?’ en zonder op een antwoord te wachten schommelde ze langzaam naar de keuken. Ze sprak hem altijd aan met ‘meneer,’ want hij was student en dat gaf blijkbaar status. Kees, de andere kostganger, die voor een verhuisbedrijf werkte, werd altijd gewoon met z’n voornaam aangesproken. Terwijl ze terugkwam en het flesje opende ging ze weer zitten. Ze schonk zichzelf nog maar een citroentje in, stak weer een sigaret op en vervolgde:
‘Neem nou vanochtend, die klootzak. Hij stond pas om half elf op, ik zei: Kees,wat ben je laat, maakte een beschuitje met suiker voor hem klaar, hij haalt z’n schouders op en zegt: verslapen, propt het beschuitje in z’n mond, gaat weg en is na een half uur weer terug. Ik zeg: moest je niet naar je baas? Nee, zegt-ie, ik ben ontslagen. Wat? roep ik, waarom? Nou, omdat ik me verslapen had. Ben jij effe een sufferd, zeg ik. Je had gewoon vanochtend moeten bellen dat je ziek was, diarree. En dan midden op de dag was je naar je baas gegaan en dan had je moeten zeggen: was ik effe aan de broekhoest baas, maar nu ben ik uitgescheten, daar ben ik weer. En toen zei ik: heb je dan nog wel geld voor de huur? Hij haalt wat briefjes en guldens uit z’n broekzak, ik tel het uit op de tafel, negenentachtig gulden en vijfenzeventig cent. Ik zeg: dat is vier vijfenzeventig teveel. O, laat de rest maar zitten, zegt-ie, en hij loopt weg. Laat de rest maar zitten! Is dat zijn manier om dankjewel te zeggen? Nou vraag ik u: dat geeft toch geen pas? Is dat de erkenning voor iedere ochtend opstaan en z’n koppie thee en een beschuitje klaarmaken? De erkenning meneer!
Willem kon een gniffel niet onderdrukken. Dat Willemien Mitschmerz het hart op de tong had, was hem inmiddels al wel duidelijk. Voor vijfentachtig gulden huurde hij een piepklein kamertje bij haar op een beletage in de Karel Dujardinstraat waar hij via een bemiddelingsbureau op was geattendeerd. Eigenlijk ging het oorspronkelijk niet om het kamertje bij mevrouw Mitschmerz, maar bij haar zuster die op dezelfde beletage een woning had. Haar zus had destijds verschrikt opengedaan en verteld dat de kamer al verhuurd was, maar ze liep meteen naar het adres aan de andere kant met het verhaal dat haar zus, Willemien, ook kamers verhuurde. Inderdaad was er nog een kamertje vrij. Een piepklein hok met een bed, een tafeltje en een stoel. Geen douche, wel thee en koffie. Willem nam het maar omdat hij op een wachtlijst stond voor studentencomplex Uilenstede en dat zou toch niet eindeloos hoeven te duren. Hij had nog niet beslist of hij zat al aan een kop koffie met een roze koek en leerde het hondje kennen, Sjorrie, een opgeblazen keffertje op luciferstokjes dat maar door bleef blaffen.
‘Hou je mond!’ schreeuwde de kostjuffrouw naar het beest terwijl ze hem een stukje koek toegooide, maar hij zweeg niet. ‘Hou je mond!’
Ze kneep haar ogen fijn onder haar ronde blikken brilletje en sprak samenzweerderig tot Willem: ‘Weet u wanneer hij wel z’n bek houdt?’ Als ik godferdomme zeg!
‘GODFERREDOMME!’ schreeuwde ze en wees met haar dikke vinger priemend in de richting van het beest, dat inderdaad zwijgend weg waggelde.
Op de universiteit had hij al eens smakelijk verteld over z’n Amsterdamse kostjuffrouw. Het was nu al zo ver dat hem bij aankomst op de koffiehoek op de vijftiende verdieping van de  betonkolos in Buitenveldert, wanneer hij college ging lopen, meteen gevraagd werd om nieuwe verhalen. Die had hij altijd wel. Over de oorlog, want ze had in het doktersvak gezeten, zoals ze zelf zei, en dokter Cohen geassisteerd met illegale abortussen bij joodse vrouwen. Het doktersvak, dat was het, en dat meneer geschiedenis studeerde vond ze maar zo zo. En ze had op Joop den Uyl gestemd, maar Joop den Uyl was zo tegen het koningshuis, en zij was heel erg vóór het koningshuis. En ze was tegen van Agt, want die was tegen abortus, en als haar oude benen haar nog zouden kunnen dragen, zou ze gaan demonstreren vóór het recht op abortus. Maar toen er een demonstratie te zien was op het journaal zei ze, dat wanneer zij de baas was van Nederland, zij alle demonstraties in Nederland zou verbieden, want dat langharig tuig gaf maar onrust. En er kwamen ook teveel Surinamers naar Nederland. ‘Je ziet ze niet in het donker hè? Gelukkig heb ik altijd m’n twee vingers klaar. Ik steek ze zo twee ogen uit.’ Maar toen mevrouw De Haan, de andere buurvrouw met haar zwakbegaafde dochter Annie langskwam om thee te drinken moest deze haar toch wat temperen. ‘Ze zijn niet allemaal crimineel hoor, want weet je, ze komen hier om op te knappen hè, en wanneer ze weer wat beter zijn gaan ze misschien wel terug. Mevrouw de Haan sprak Willem ook altijd aan met ‘meneer’ en nam hem wel eens in vertrouwen over haar dochter, omdat ze niet wist wat ze met haar aan moest wanneer zijzelf bejaard zou zijn. ‘Weet u, meneer, ze is wel eens heel erg onrustig, en dan, ja, hoe zal ik het zeggen, ja, dan is ze niet te genaken hè, niet te genáken!
Willem keek dan altijd zéér begripvol alsof hij heel erg goed begreep dat het ernstig was nu mevrouw de Haan dat sjieke woord gebruikte. Eigenlijk vreesde hij dat hem dan om een ‘wat vindt u daar nou van’ werd gevraagd, maar dat gebeurde gelukkig nooit, want het gesprek nam altijd wel weer een andere wending. Bijvoorbeeld over de gezondheid van Willemien.’Ik hoest zo,’ had ze tegen de dokter gezegd. ‘En toen moest ik naar het VU en daar hebben twee studenten me helemaal onderzocht. Maar het hoesten ging niet over en de dokter zei alleen maar dat ik minder moest roken.’ ‘Nou moet jij eens goed luisteren Wil,’ reageerde mevrouw de Haan, ‘het VU is één van de hoogste ziekenhuizen in Nederland en als ze zeggen dat je niks mankeert, dan moet je dat wel aannemen. En geef mij dan nu maar een sigaret.’

Nu zat Willem dus alleen tegenover z’n kostjuffrouw. Hij was de hele nacht weggeweest omdat hij samen met Ad, een bevriende student, op diens kamer op Uilenstede aan ‘De KPD en de Ruhrstrijd’ had gewerkt, het eerste werkstuk voor professor Lademacher. Precies op tijd, diezelfde ochtend om negen uur, hadden ze het nog ingeleverd bij het secretariaat. ‘Je was er niet hè, vannacht’, sprak Willemien Mitschmerz schalks toen hij binnenkwam.
‘De hele nacht aan een werkstuk gewerkt,’ antwoordde Willem suf, maar dat ging er vanzelfsprekend niet in. ‘Ja,ja, natuurlijk liggen rollebollen.’ Omdat het zinloos was hierop in  te gaan zocht Willem maar gauw het bed op.
Nu, laat in de middag zat hij alweer aan het bier. Hij moest z’n kostjuffrouw twee dingen vertellen. Dat hij een dag eerder voor het weekend naar huis zou gaan, omdat hij de volgende dag naar een crematie moest, en dat hij weg zou gaan omdat hij een andere kamer had gevonden. Ook op Uilenstede, maar dan op het GU-complex, waar nog wel eens een kamer vrijkwam omdat de meeste GU-studenten er niet wilden wonen.
‘Ik ga vanavond al weg voor het weekend,’ sprak hij, want ik moet morgen naar Den Haag. Een tante van me is overleden en morgen is de crematie.’
‘O, was het een lieve vrouw?’
‘Een geweldige vrouw. Ze kwam uit Indonesië en was ziek, kanker.’
‘Dat vind ik nou zo gemeen hè meneer. De gevangenissen zitten vol en de aardige mensen krijgen kanker. En dan zijn er mensen die zeggen dat er een Gód bestaat! Nou ammehoela, er is geen God.’
‘En dan nog iets. ‘Ik vind u een geweldige kostjuffrouw,’ sprak Willem, ‘maar het kamertje is wel erg klein en ik heb een andere kamer gevonden.’
‘Waar gaat u dan nu wonen? Toch niet weer bij uw moeder? Is uw moeder trouwens nog een flink mens?’
‘Neenee, ik heb een kamer gevonden in een studentenflat, met eigen douche en wc.’
‘O nou ja, als meneer het beter krijgt. U heeft trouwens altijd mooi op tijd betaald. Willem nam een laatste slok bier, stond op, verontschuldigde zich en zei dat hij z’n spullen ging pakken. In het kamertje telde hij de laatste centen in z’n portemonnee. Een paar gulden, dat moest voldoende zijn om nog een bosje bloemen te kopen. Het was even zoeken, maar voor drie gulden vijftig vond hij een heel aardig bosje tulpen.
Hij liep er mee het trapportaal op, deed de deur open en in het halletje hoorde hij dat mevrouw De Haan en Annie op bezoek waren. In de woonkamer overhandigde hij de bos en Willemien Mitschmerz straalde.
‘Tullepe!’ riep ze glunderend. ‘Nou dat vind ik nog eens een erkenning!’
‘Moet je ze wel even in de vaas zetten Wil’, zei mevrouw de Haan.
‘Dat ga ik meteen doen, en meneer blijft toch nog wel even? U blieft vast nog wel een biertje!’

02052021