Homo Deus: een schokkend nieuw inzicht (maar waar blijft de humor?)

De mens zal zijn autonomie verliezen. Net zoals het dier, dat, zoals bekend wel degelijk gevoel heeft en pijn kan leiden, afhankelijk is van de mens, zal de mens op zijn beurt geheel onderworpen worden aan het algoritme van de computer. Dat voorspelt de Israëlische hoogleraar Yuval Noah Harari in zijn bestseller Homo Deus.

Niemand die vandaag de dag een boekwinkel binnenloopt kan er omheen. Stapelshoog grijnzen de bestsellers van Harari je tegemoet. In tientallen talen worden z’n bestsellers met  tienduizenden tegelijk verkocht. Een megahit, en terecht, want Harari stelt de juiste vragen.

In Homo Sapiens stapt Harari met zevenmijlslaarzen door de wereldgeschiedenis. Op fascinerende wijze vraagt hij zich af: waarom is de Neanderthaler uitgestorven en heeft Homo Sapiens het wel overleefd? Waarom is de jager/verzamelaar op een gegeven moment met landbouw begonnen? Waarom zijn we op een gegeven moment geld gaan gebruiken? Waarom zijn we de zeeën overgestoken? Enzovoort.

In Homo Deus gaat hij nog een stapje verder. Op een gegeven moment heeft de mens zich dusdanig ontwikkeld, zo stelt Harari, dat er een duidelijk onderscheid kwam tussen mens en dier. Het dier werd afhankelijk van de mens. Het wereldbeeld van de mens werd vervolgens eeuwenlang bepaald door een kosmische afhankelijkheid, dat wil zeggen, de mens waande zich een onderdeel van een werkelijkheid die kosmisch (of zo u wilt religieus) bepaald werd. Dat kun je heel breed uitleggen, en varieert van ‘ik heb een moeilijk leven gehad maar als ik dood ben ga ik naar de hemel’ tot ‘deze oorlog is verschrikkelijk en ik heb daarbij mijn beide benen verloren, maar het is toch voor het goede doel, voor Volk en Vaderland.’ Maar ook die manier van denken ging op de schop, en dat kwam, aldus Harari, door het Humanisme. Het gaat om de eigen ervaring van de mens als zodanig. Oorlog is dus onzin, en Harari adstrueert dat met voorbeelden uit de kunstgeschiedenis. Gaat het bij schilderijen uit bijvoorbeeld de zeventiende eeuw om krijgsheren die hoog te paard zitten en als helden worden afgebeeld, in de twintigste eeuw zien we schilderijen van soldaten die hol en verdwaasd uit hun ogen kijken en de zinloosheid van het krijgsbedrijf uitbeelden.

Harari onderscheidt drie vormen van Humanisme: het liberalisme, het socialisme en wat hij het ‘evolutionair humanisme’ noemt. Bij het liberalisme gaat het om de vrijheid van de mens. Mooi die vrijheid, stelde bijvoorbeeld Karl Marx, maar je hebt er niets aan als je hard moet werken in een fabriek en te weinig verdient om fatsoenlijk te kunnen eten. De evolutionair humanisten zien de wereld als een jungle waarbij de ‘survival of the fittest’ geldt. De sterke krachten moeten juist gesteund worden, anders verzwakt de mensheid als geheel. In z’n extreme vorm vond het evolutionair humanisme een uitlaatklep in ideologieën als het fascisme en nazisme. Maar ik kan het niet nalaten om ook Thierry Baudet te noemen met zijn verlangen naar een ‘boreale (Arische?) wereld’ en z’n geklets over ‘homeopatische verdunning’.

Maar ook aan dat tijdperk van humanisme komt een einde. Met overtuigende argumenten en voorbeelden stelt Harari dat niet alleen de computer werkt volgens een algoritme, maar ook de mens. De eerste reactie van zeer veel mensen op de voorspelling dat de computer alles wat de mens vermag kan overnemen, en dat we een tijdperk binnengaan waarbij de mens zijn autonomie verliest, is altijd: het bewustzijn! Dat heeft een computer niet! En wat de denken als het maken (scheppen) van kunst, van muziek? Ook daar heeft Harari een antwoord op. Ook hier weer komt hij met overtuigende voorbeelden dat de mens ten diepste volgens algoritmes werkt. Hij geeft voorbeelden van proeven met de linker- en de rechter hersenhelft: de ervarende helft en de verhalende helft. Uiteindelijk blijkt dat de mens, door de verbinding tussen die twee helften, niet altijd meer helder heeft wat hij nu werkelijk ervaren heeft en wat hij zicht herinnert. Wat hier van zij: wat de mens kan, kan een computer ook. Een computer kan mooie symfonieën maken waarvan de toehoorder beslist niet weet dat de muziek door een machine is gemaakt. Een diagnose van een ziekte maken kan een computer ook, en zelfs beter: ziektegeschiedenissen, DNA, kennis van verschijnselen: de computer weet het allemaal en maakt de overgrote meerderheid van artsen overbodig.

Homo Deus is een briljant en overtuigend boek dat je lang bijblijft. Min of meer onthutst leg je het weg en je vraagt je af: zal het echt zover komen? Die vraag stellen is al belangrijk en of het de kant opgaat die Harari voorspelt is natuurlijk niet zeker, omdat geschiedenis een open proces is en (nog) alle kanten op kan gaan; en dan hebben we het nog niet eens gehad over oorlogen en natuurrampen. Maar dat we steeds meer autonomie afstaan aan het algoritme van de computer staat als een paal boven water. En ook zoiets als ‘bewustzijn’ blijkt dus niet meer een valide argument te zijn dat het allemaal zo’n vaart niet zal lopen. Tot slot: hoe zit het dan eigenlijk met humor? Hét kenmerk van humor is toch onvoorspelbaarheid? En als een computer ergens een hekel aan heeft, is het onvoorspelbaarheid. Zou de mensheid dan tenminste toch nog iets overhouden wat hem onderscheidt; niet alleen van het dier, maar ook van, ja wat eigenlijk?

08042019

Leave Your Comment

Your email will not be published or shared. Required fields are marked *

You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>

*